geest, het kijken zonder meegevoel van mensen die uitsluitend opgaan in elkaar en in eigen geluk, en haar ogen waren vochtig. Ze dacht aan thuis, dan aan Grootvader,-zijige stromen van vertedering en kinderlijke liefde vloden door haar heen,-maar daarbij blééf een haken, een zacht en vaag en schuchter voorgevoel van iets lieflijkere dat komen kon en misschien komen zou. En de ogen even sluitend, zich achterover werpend in een forse trek aan de riemen, nam ze ook dat even-geziene, vaag-vermoede op in de nevelen verschieten der komende jaren en opnieuw verzuchtte ze, woordeloos: als ik maar eenmaal groot ben...
Nu lag wijd en kalmer dan daareven het water rondom haar uit, -de avond naderde, het laatste koeltje had opgehouden, bladstil was het geworden. Uit de landen stegen dampen op, vagelijk bewogen daarin de grazende koeien, nu en dan loeide er een lang en zwaar, als een zoete klacht, als een verlangen vol pijn kwam het over de stroom heen en deed de kleine Lea van ontroering beven. Geen geluid was voor haar zo weemoedzwaar en raadselvol als het loeien van een koe in de vallende avond, als de nevel het land ontstijgt en over de stroom op 't allerijlst zich spreiden komt, nauwelijks der wateren beweeglijk glanzen als met een lichte adem overijlend.
De kleine Lea keek op en ze schrok. Ze was al in de wijde kom gekomen, 'de poel' genoemd,-ze was dus wel al een heel eind het stadje uit, ze moest terugkeren, de boot wegbrengen en dan de wandeling nog naar huis,-hoe laat kon het eigenlijk wel al zijn? Een torenklok klonk uit de verte, maar ze kon de slagen niet tellen, die gingen verloren in het geluid der riemen.
Dat ze nu ten tweeden male onder de brug door moest, waar het nu nog veel duisterder dan straks wezen zou, riep plotseling een zorgvolle benauwenis in haar op,-omdat ze niet wist, hoe precies en vast tussen die dikke, grauwe pijlers door te varen, zonder met het schuitje ertegen aan te botsen, wat lek of ander ongeluk geven kon...
En het water lag daar zo zwart, inktig, spokig en als onheilsdiep met zijn rillende bleke glanzen. Zoëven was ze, de keel benepen, de handen slap om de riemen, precies midden tussen de twee rechtse zijpijlers heengegleden, met het beste overleg had 't niet beter ge-
172