Tegen de dwang (verhalen)

Titel
Tegen de dwang (verhalen)

Jaar
1907

Druk
1981

Overig
herdr 1981

Pagina's
248



zachtjes dobberen, eenzaam en toch gemeenzaam met die allen, -zoals ze het juist had begeerd,-waar ze nu roeien ging was het stiller-waren geen grote huizen met mooie tuinen meer en nog vóór de brug hielden helemaal de huizen op en breidden zich weiden aan weerszijden, vol loeiende koeien, tot ver in de horizont.

Het vlugge keren in een roeiboot bleek ze verleerd of ze miste de slagen door haar zenuwachtigheid,-weer immers was een boot met jongens en meiden langs haar gekomen, en ze hadden haar gehoond om haar onbeholpenheid-de riemen waren haar ook te zwaar, het zweet stond haar op het voorhoofd-de jongens echter roeiden ferm-op, tegen het stralende licht de ogen genepen, maar evenwel krachtig en vast, precies hun richting wetend,-in een paar slagen al een heel eind voorbij, en onder de oever dobberde een ander schuitje; een jong paartje zat erin... tegen elkaar aangedoken, in elkaar verdiept, keken ze vaag, zonder belangstelling, zonder meegevoel, hoe de kleine Lea wurmde om te keren en verder te komen.

Eindelijk om, voelde ze zich ineens eenzamer nog dan tevoren en bedroefd,-ze keek naar het paartje, dat knie aan knie zat in het bootje-het was vastgemeerd, dobberde alleen aan zijn touw, zag ze nu-en een onbestemde pijn neep even in haar hart. En daarin weer die benieuwdheid naar eigen toekomst, een verbazing en een verlangen, dat plotseling haar hart zoet-bang begon te beven: zou zij misschien óók eenmaal zo zitten, met een jongen, die 'lieveling' tegen haar zeggen zou, zoals geliefden tegen elkaar zeggen in de boeken? 'Als ik groot ben...'

Middelerwijl roeide ze kalmer verder,-de schuit lag gekeerd, de riemen was ze meester en haar vermoeide ogen laafden zich aan het koele luchteblauw, het zachte, milde groen der bomen aan de oostelijke horizont,-achter haar brandde nu de ondergaande zon,-over het water schoot zij hare schijnselen, die lieten haar ogen ongedeerd, maar haar roeiriemen doopten in het heerlijke rode goud.

Enige riemslagen hadden haar buiten het stadje gebracht,-het bootje met het jonge paartje dobberde kleintjes onder de oever, ze bleef ernaar kijken zolang ze kon, als naar iets wonderlijk-raadsel-vols, zoet en diep, ze haalde zich hun bleke, stille gezichten voor de

171

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.