maar een enkele grauwe jol, met mannen die thuiskeerden van hun dagwerk, fors roeiend om gauw aan de overkant te zijn, dreef in de gouden gloed, die de herfstzon uitgoot over het zacht rimpelend water.
Juist nog één enkele verveloze en schamele boot had hier de verhuurder, hij vorderde voor één uur haar hele kwartje en de kleine Lea het het willig meteen uit haar warme hand, waarin ze 't had geklemd gehouden, in zijn grove knuist overgaan,-wat haar weer een blik bezorgde, die scheen te willen vragen of ze simpel was.
Even later zat ze in het schuitje. Op de wal stond de verhuurder met zijn zoontje en ze oogden haar na,-zij wilde nu een goed denkbeeld van haar roeivaardigheid geven, - nam de riemen en sloeg uit. Maar de man keerde zich al af en ging met de jongen naar binnen,-het was de kleine Lea te moede of ze nu plotseling heel eenzaam werd.
Midden in het rode goud dreef ze en wilde de richting van het stadje heen terug,-ze voelde zich ineens zenuwachtig, haar armen trilden,-ze keek naast zich naar de werf, die was leeg,-de schuitenverhuurder en zijn zoontje naar binnen gegaan,-achter het raam dat over het water uitzag, zag ze het lichtje onder de koffiepot. Nu was de zon zo laag gedaald, dat de rode vuurgloed verblindend in haar ogen straalde, afkaatsend van het water, zodat ze nauwelijks kijken kon. Een brede schuit vol grote jongens en meisjes, waarvan er een de harmonika bespeelde-rauw streek de klank langs haar oren die in de verte zo zoet had geschenen,-schoof haar rakelings voorbij, de andere richting in,-ze hoorde zich toeroepen dat ze beter uit haar ogen moest zien. Doch het kijken was onmogelijk in de felle, vurige gloed en ze besloot om te keren en een eindweegs de richting van de polders uit te roeien,-ze wilde ineens veel liever in wat stiller water zijn,-ze kon dan daarna, aan het roeien met de vreemde, voor haar te zware riemen eenmaal gewend, en bekomen van de eerste verwarring, kalm terugroeien en haar schuit afleveren. Wel bleef het allerprettigste haar dan weer onthouden: ze zou niet, te midden van de meisjes in witte jurken en de jongens in lichte buisjes, langs de tuinen met hun fluwelen glooiingen van welig gras,
170