vergeefs zou zijn, inderdaad dreefde klare stroom vol schuitjes, overal tussen de trage statige beurtschepen, de haastige, stampende stoomboten in. De kleine Lea stond er stil naar te kijken, hoe ze wiegden en dansten in de komende avond, mee deinend op de golven achter de schroef van een boot, zich badend in gouden rood, in weelderige glans, sommige midden in de stroom, andere meer naar de overkant, waar de theekoepels en schuitenhuisjes kleurig spiegelden in het limpide en koele voorbijvlietende water-zacht gezang, dromerige harmonikamuziek kwamen met 't maatvast stampen van een boot naar haar toe, en vlak bij haar klotsten met smakgeluidjes de golfjes tegen de houten schoeiing aan, sprongen terug en weer nader bij. Tot tweemaal toe moest de schuitjesverhuurder herhalen dat hij geen enkel bootje meer had, dat ze daar allemaal dreven, waar zijn hand wees over de stroom, en dat ze het, maar zonder veel kans, nog eens op een werf veel verderop kon beproeven,-vóór wat hij zei doordrong tot de kleine Lea,-en toen ging ze nog niet dadelijk weg, ze kon niet, ze stond geklonken, als waren haar voeten vastgegroeid, een zalige soezerigheid in haar hoofd, gebonden door het zachte smakken der golfjes, door het gouden licht, de zang en muziek over het water, het stampen van de boot, die al verder zich verwijderde, naar de richting van de lange, smalle brug, verderop over de stroom; pas toen ze een blik opving van de man, die haar aankeek of ze simpel was, kwam ze in een schrikje en blozend tot zichzelf en haastig liep ze de werf weer af, pijnlijk voelend dat de man verbaasd haar volgde met zijn ogen.
In de straat, waar ze geen stroom en geen schuitjes meer zag, kwam haar teleurstelling. Heftiger dan tevoren begeerde ze nu, in een bootje te dobberen en te drijven onder de hoge hemel, in het gouden licht, heftiger nu de kans geringer, bijna vervlogen was. Eerst had ze nog enige onzekerheid gevoeld, omdat moeder het stellig niet goedvinden zou, maar die was voor haar verlangen teruggeweken.
De werf, waarheen haar de eerste man verwezen had, lag veel verder, bijna buiten het stadje, naar de kant van de polderdorpen toe. De stroom was daar bij lange na zo vol en vrolijk niet,-stoomboten stampten er zakelijk, beurtschepen dreven dromerig, doch
169