en ze had zelf niet begrepen, hoe ze zo ontroerd kon zijn.
Het leven leek haar plotseling nader gekomen, de mensen minder ver van haar af-niet meer uitsluitend verdeeld in bekenden en onbekenden, eigen en vreemd, dat vreemd moest blijven, ze wist nu, dat er behalve de banden van bloedverwantschap en aanverwantschap ook andere banden bestonden,-van vriendschap, die soms inniger scheen en dan liefde heette en dan van mannen naar vrouwen, van vrouwen naar mannen ging. Als ik groot ben... dacht de kleine Lea, in een verwondering, ook angst, om wat haar aan ervaringen en ontroeringen nog te wachten kon staan...
Het was nu kort nadat ze haar dag bij Grootvader had doorgebracht, en september naderde zijn einde. De kleine Lea liep langs de stroom,-ze was de brug overgekomen en daardoor in de armoedige helft van het stadje geraakt, daar was alles minder vrolijk, ook schameler en stiller,-er liep ook aan die zijde wel een brede straat langs de stroom, en er stonden zelfs enkele herenhuizen tussen kleine winkels en burgerwoningen, maar ze stonden er nors en somber en verderop waren zelfs helemaal geen huizen meer, langzaam-aan liep de buurt daar dood in een kale dijk, aan de ene zijde waarvan zich brede weiden breidden eindeloos, vol loeiend vee,-aan de andere zijde waarvan de stroom spoelde, op die plek zó breed, dat aan de overoever, de vrolijke oever, de schuitenhuisjes versmolten tot blanke en kleurige plekken, de tuinen met koepels als prentjes uit een boek zich spiegelden in het blanke water; in het midden sneed de stoomboot met dof gestamp zijn weg naar de dorpen verderop. Zo ver kwam de kleine Lea nooit, liever bleef ze helemaal aan de vrolijke zijde, waar de rijke huizen stonden in ononderbroken rij, elk met zijn bloementuin en schuitenhuisje aan de tintelende stroom; aan de overzijde stonden alleen zwarte pakhuizen, wel lokkend met mooie, uitheemse namen als 'Baltimore' en 'Archangel' die golvingen van gepeins in haar teweegbrachten, maar, overigens zo droefgeestig en somber, als konden er misdaden worden gepleegd. Toch was het wel eens aardig aan die kant te zijn, want vandaar lag het uitzicht open op de achterzijde der overzijde, de koepels, de vrolijke schuitjes en die gedeelten der tuinen, die van dc weg af niet
167