Een gedachte, die ze nooit had gekend, boorde zich nu wel eens bij haar binnen: 'als ik groot ben.' Een toekomst, nog vaag, nog flauw, was voor haar opengeschoten, de kimmen der komende jaren lagen niet meer, als tot nu, volkomen gesloten, dicht omsluierd, onberoerd van dromen en wensen. Als ik groot ben... en dan? Iets leren, iets worden, ja, maar ook dit: mensen kennen, vrienden kiezen. En dan zag ze gezichten en gestalten, doch het waren niet de gezichten en gestalten van kinderen uit de buurt, die dan ook groot zouden zijn en die ze kiezen kon. Die en hun wereld hadden met 'vriendschap', met 'tederheid' niets gemeenzaam. Het was niet, dat ze zich vrienden wenste van meer beschaving en beter stand, maar de begrippen 'vriendschap' en wat daarbij behoorde-'vertrouwen', 'alles voor elkaar over hebben', 'opoffering'-stonden vanzelf uitgeheven boven dat wereldje waarin ze verkeerde en waarop ze aangewezen was. Het hoorde bij de mensen uit de boeken, die in haar verbeelding de prentjes der speelkaarten bewoonden en die vanzelf heel anders waren, daar immers was sprake van liefde en vriendschap en edelmoedighed en trouw-tot-in-de-dood, hier alleen van dit-van-jou en dat-van-mij en ik-lekker-meer-dan-jij en klikken en kwaaddoen en ruilen en krakelen, waaraan ze meedeed op haar tijd, maar dat niet tot haar echte diepe leven hoorde.
'Als ik groot ben' had de kleine Lea gedacht, toen ze las van het jonge meisje dat het rijke, gezonde bloed uit de arm tappen het om de man, die ze liefhad en wiens bloed, te arm, hem niet voeden kon, te redden. Want ze mocht nu soms een roman meelezen die moeder huurde uit het bibliotheekje, nadat moeder voorafhad onderzocht of het boek niet 'onfatsoenlijk' was, waaromtrent ze soms raad vroeg aan vader, meestal met het gevolg dat Lea het boek dan niet lezen mocht, waaruit Lea had afgeleid, dat moeder zelf lang niet altijd scheen te bemerken, of een boek 'onfatsoenlijk' was-'als ik groot ben' had ze gedacht en 's avonds haar bovenarm betast en bekeken en een nagel gedrukt in de blauwe aren onder de zachte huid en zich voorgesteld hoe dat daar openspringen en fonkelend uitspuiten zou en in een ander, een geliefde, zou het overvloeien en het zou hem genezen en hij zou haar bloed in zijn lichaam dragen,-een warme dauw was haar bij de gedachte naar het voorhoofd gestegen
166