II
Het was nu weer september, en de kleine Lea kort tevoren elf jaar geworden. De maand augustus was een echte regenmaand geweest, de kermis een duistere mislukking; onder de zwiepende, druipende bomen, had de draaiorgelmuziek zo lamentabel geklonken, dat de kleine Lea het daardoor bijna weer heerlijk had gevonden. Ze had ook eigenlijk niets tegen een natte, kille augustusmaand. Was het droog, dan kon het immers zo genadeloos warm wezen,-en alle regen en killigheid konden toch niet wegnemen, dat de bomen vol loof en de tuinen vol bloemen stonden, de tuinen van de grote huizen aan weerszijden van de hoofdweg, langs de stroom. Van die tuinen had de kleine Lea het hele jaar door zoveel genot, dat ze heel niet naar een eigen tuin verlangde. Er waren trouwens weinig verlangens van dien aard in haar, juist omdat alles, wat ze zou hebben kunnen verlangen, toch onbereikbaar voor haar was.
Maar langs de tuinen wandelen en naar de bloemen kijken, dat kon ze doen, zoveel ze verkoos en het heerlijke was, dat ze altijd weer vergat, wat ze een vorig jaar had gezien, omdat ze altijd opging in het ogenblik, zodat het elk jaar opnieuw een verrassing was, als ze voor het grote, deftige huis, met de gouden vis in de gevel, het perk lichtgele tulpen in bloei zag staan, stralende gouden kelken hoog wiegend op hun lange, ijlgroene stelen. In de tuin van een ander huis praalden dan rode tulpen en hier en daar stonden de paarse hyacinten op het opengaan. Dan stil tegen zo'n hek te leunen en de ogen te sluiten en ieder geurtje op te snuiven, dat van een bloemperk naar haar toe waaien wou,-en daar dan van alles bij te ondergaan. De hyacintengeur was de belofte van de zomer, nu kreeg ook weer het gras zijn fluwelen zachtheid, nu was de winter wel heel-en-al voorbij. Dit en nog veel andere, vage, onbestemde dingen, voelde de kleine Lea, als ze hyacinten rook. Na een poosje waren dan alle bolbloemen weer weg, het was zomer geworden, geranium en cineraria stonden in de perken,-de stenen vazen op hoge voetstukken, geel of rozig bleek, die de hele winter leeg hadden gestaan, pronkten nu weer met velerhande kleur gevuld: een wuivende palmspriet in het midden, over rode en blanke gera
164