hadden gezeten achter gesloten gordijnen, laat in het jaar-en ze wist ook dat de witte gewaden, die de mannen elk jaar op de Grote Verzoendag dragen, hun eigen toekomstige doodsklederen zijn, en ze wist vooral met een bijwijlen zich schril-realiserende zekerheid, dat iedereen sterven moet!
En lieve Grootvader werd al zo oud. En nu de dag al verder vorderde en een beginnend heimwee naar huis zich in de feestvreugde mengde, nu ze even aan zichzelf was overgelaten, in de lome namiddag-uren tussen twee en vier,-nu dacht ze aan de Joodse begraafplaats in haar eigen stadje, achter de meidoornstruik, beneden aan de dijk, waar tussen de opstaande zerken en onder langs de muren van het lijkenhuisje, dezelfde soort grote, voze boterbloemplanten groeiden als achter de Joodse school en die ook juist zo roken. Daar stonden nu al een dertig, veertig zerken, rechtop in rijen naast en achter elkaar; hun aanblik bracht altijd een snel en vluchtig inkeren tot het Joodse leven, temidden van het niet-Joodse: dijk en koeien en boerenhoeven en het dorp in de verte.
Zo verdiepte ze zich in de gedachte dat Grootvader kon sterven en dat hij dan begraven zou worden en dat ze dan van wat er verder van Grootvader werd, niets meer weten en nooit iets horen zou, nimmer vernemen waar hij was heengegaan, dat ze dikke, hete tranen uit haar ogen voelde stromen en wel had willen snikken, als ze maar had gedurfd. Een plotseling stommelen op de trap joeg haar nog eens in een bons van schrik het bloed naar het hart, een vaal visioen van de naderende Doodsengel,-zoals ze zich die uit het verhaal over de Egyptische Uittocht voorstelde, - doch het duurde maar even,-toen werd er geklopt, en niet zo zacht, of Grootvader ontwaakte er van en richtte zich op in zijn rieten stoel.
Gauw keerde de kleine Lea zich naar het raam en wiste de tranen af, die verkild, doelloos ineens, nog op haar wangen lagen. De zoete reuk van vers en vet gebak en Grootvaders roepen deed haar omzien. Grootvader was al helemaal weer wakker, met de oude Joodse huisjuffrouw stond hij in goedkeurende beschouwing gebogen over de doos taartjes, die hij, als ieder jaar, voor de kleine Lea had laten komen.
163