smalle hoge huizen, met steile hoge stoepen,-nu en dan zag ze een krom heertje met hoge hoed een stoep dichtbij opgaan en even rusten, trillerig over zijn stok, vóór hij aan de deurbel trok. Van het uitkijken werd de kleine Lea dan ook een beetje soezig en doezelig,-ze had al zo veel gezien, de dag was wel heerlijk lang,-en nog lang niet voorbij, en na het rumoer van de winkelstraten was het nu overal rondom zo stil, er hipten mussen op het plein en weer schuifelde een oud heertje voorbij onder de bomen. Er schenen wel allemaal oude mensen te wonen. Dan keerde de kleine Lea zich van het raam af en keek naar Grootvader, hoe hij slapend lag in zijn stoel, het hoofd met de witte baard opzij gezonken tegen de leuning aan. Het was zo stil en ineens schrok ze op-Grootvader haalde toch nog wel adem... Grootvader leefde toch wel... Grootvader was toch niet plotseling gestorven... Grootvader was toch niet dood... Dan sprong haar hart bonzend op in haar borst, haar handen waren koud, haar benen beefden, haar keel genepen, ze voelde of ze schreeuwen wilde, maar kon niet, totdat dan een zucht van de oude man, die meteen het hoofd verlegde, de heerlijke ontspanning bracht; nog bevend van de plotselinge ontsteltenis, die haar zo onverwachts als een spook in de stilte had besprongen, ging ze van het raam af bij de tafel zitten. En ze dacht, hoe vreselijk het zou zijn, als goede Grootvader eens werkelijk stierf en ze vroeg zich af, waar ze hem begraven zouden en ze wilde er niet op doordenken en kon het toch niet laten, in wrang-zoete zelfkwelling. De kleine Lea droeg in zich een grote, vale angst voor de dood, daarbij een vaag maar schrikkelijk besef, deels uit eigen verbeelding, deels uit het weinige, dat ze bij toeval uit gesprekken van oude mensen had opgevangen, van een diep en schemerig Dodendal, - maar behalve dat had ze heldere voorstellingen en herinneringen van alles dat bij dood en begraven in Joodse gezinnen te pas kwam-want ook haar eigen moeder had wel eens bij naaste buren het doodsmaal van brood en eieren gebracht-en moeder was lid van zulk een vereniging van vrome vrouwen die de doodsklederen naaien en het liefdewerk der laatste wassingen verrichten, en hoe weinig ze wist van gestorven grootmoeder Lea, ze herinnerde zich toch nog wel, dat ze thuis over grootmoeder rouwend zeven dag op lage stoelen
162