nam een zwaai, het water rondom lag nu ineens wijder en breder en stiller, ver-weg uit, aan de oevers geen huizen meer, maar louter weide en riet, het stadje uit het oog verloren, de kade met bomen een wazige plek, de toren als een flauw spitsje in de damp-beslagen lucht er boven uit,-en dit was dan het ogenblik, als ze daar dreef in het wijde water, koel-blank zich breidend naar alle zijden, dat in de kleine Lea de pijn om het scheiden van haar eigen stadje, het even won van het blijde vooruitzicht, dat ze naar de grote stad en naar Grootvader ging. Maar al gauw gleed de boot een landtong langs-overal dat riet, waarvan het ruisen en schuifelen haar aandoeningen begeleidde en steunde-en nu als een donkere blauwe klomp in de damp rees de grote stad voor 't zicht en nu ook trok die kleine pijn uit Lea weg en ze keerde zich naar de grote vreugd, die haar te wachten stond. Hier hielden tegelijk haar eigen herinneringen op, want hier had ze nooit gewandeld, het was de wereld, die achter het pontje lag, ver als een vreemde provincie, en hier waren dus ook geen dingen, die haar kenden en willig waren om haar uitstromende gevoelens op te vangen en voor haar te bewaren, tot ze later ze weer opvragen zou,-hier was alles onbekend en ongemeenzaam, het trok zich van haar terug, en zij trok zich ervan terug, ze liet de ijzeren rand van de verschansing nu los,-haar handen waren wit en pijnlijk van het klemmen-en ze begon aandachtiger te letten op wat er voorviel rondom haar op het dek van de boot. Ze zag twee kinderen met hun moeder op een bank tegenover zich zitten, twee meisjes; hun jonger broertje stampte aanhoudend de kajuitstrap op en af, zijn eigen lompe stappen begeleidend met een zinloos soort gezang, terwijl hij zijn dik hoofd als woedend op de maat heen en weder gooide-de kleine Lea kende de meisjes en de moeder, maar ze wilde zich niet bij hen aansluiten, ten eerste niet, omdat ze, nu ze alleen mocht reizen, ook echt alleen wilde reizen en ten tweede, omdat ze ineens die zinneloos stampende en blerrende en hoofdzwaaiende jongen zo schrik'lijk akelig vond, naar wie zijn moeder verheerlijkt grinnikend zat te kijken, de andere reizigers met de ogen bedelend om een glimlach, vooral een lange heer op een vouwstoeltje, vlak naast de kajuitstrap,-maar het lukte haar niet de trek van innig afgrijzen op zijn gezicht te doen verdwijnen
156