en Lea voelde zich in haar eigen afgrijzen sympathiek en verwant met die heer.
Duidelijker daagde de stad; uit de massieve, blauwe klomp wonden zich omtrekken los, een toren rekte zich er boven uit omhoog en een blok huizen drong zich naar voren, het water werd opnieuw smaller en voller, aan de oever niet meer overal weiden en riet, maar fabrieken en loodsen, werven en houtzagerijen,-uit de nevelblauwe achtergrond, als van achter een gordijn, het zware, doffe stampen van een boot, het hoge, fijne fluiten van een trein.
Nu bracht elke schroefslag nieuwe ontdekkingen, ontblootte de romp van een boot, de kleurige vlaggetjes van een zwembassin,-lei verschieten van straten open: in de vaste huizenblokken tekenden zich vensters en dakranden en grote zwarte letters op een blinde zijmuur, naar het water gekeerd.
En voortdurend zwol machtiger het geluid, van treinen en boten dooreen, nu niet meer enkel fluiten,-de kleine Lea hoorde duidelijk een trein heenrennen over een viaduct,-en de kade kwam bloot, met de koffiehuizen en schameler kroegjes en daarvóór in het week-welvende kwikparelmoeren water een volte van schepen en boten, en nog meer, een massa, die onontwarbaar scheen, aan de steigers gemeerd, tot waar ze heel in de verte weer wegblauwden in de horizont.
Nu begon de kleine Lea naar Grootvader uit te zien en heel erg naar hem te verlangen, met een mengsel van eerbied, omdat hij Grootvader, vaders vader was, en vertedering om zijn ouderdom en zijn eenzaamheid. Grootvader was al zo heel oud en weduwnaar,-van Grootmoeder Lea kon de kleine Lea zich niets meer herinneren,-Grootvader woonde sinds haar dood bij mensen in, die hem goed verzorgden, op een plein met bomen, tegenover een synagoge, waar de stad helemaal een Joodse stad leek te zijn en waar ze alleen Joodse gezichten ontmoette. Grootvader was vroeger Rabbijn geweest, maar toen hij al te oud werd, had hij rust genomen.
De loopplank werd uitgelegd en blij stapte de kleine Lea aan wal, Grootvader stond op de kade, ze voelde een grote rust,-de laatste
157