Maar op die eerste dag van de vier ging Lea de hele dag in de stad bij Grootvader doorbrengen! Het was de verjaardag van Grootmoeder, die voor jaren gestorven was en naar wie Lea was genoemd. Die dag was als boordevol van genot, waaruit ze drinken mocht van de morgen tot de avond, die dag stelde haar nimmer te-leur;-ze mocht alleen reizen met de boot-Grootvader zou gereed staan om haar af te halen,-en ze ging al vroeg, altijd met de boot van negen uur, er waren dan nog niet al te veel mensen. Over het water en rondom de bruine rompen van de schepen hing de blanke ochtendnevel van de herfst; toch beloofde alles warmte en onder de ijle damp en daardoorheen blonk de stroom vloeiend zilverig in de zon, gedempter en inniger dan in de zomer. Zond dan de torenklok hoog boven haar uit negen slagen over het dauwig water, dan stootte de boot, als plotseling opgeschrikt, drie jachtige, rauwe fluitkreten tot weerwoord uit,-onder Lea's voeten trilde ineens het blanke planken dek, de schroef begon zich proestend te roeren en ze voeren heen. Omdat de kleine Lea pas de beide feestdagen achter de rug had en zich helemaal nog omweven voelde van sabbath-atmos-feer,-ze had nu immers ook alweer haar mooiste jurk aan,-deelde zich het feestelijk-gewijde dat ze in zich droeg, achter zich liet, tegemoet ging, aan alles, dat ze zag in 't zacht verglijden mede, maar dit alles-riet en water en de grindweg, waar ze in de vorige zomervakantiedagen akkerwinde en zuring had geplukt,-was op zichzelf weer vol van andere herinneringen aan andere ogenblikken, die ze daar had beleefd en die vlogen naar haar toe en vermengden zich met de Sabbath-atmosfeer, die in haar was; ze stond ademloos genietend en starend met de handen om de zacht-trillen-de ijzeren rand van de verschansing geklemd en liet het altezamen op zich inwerken, zoals wind een open venster binnenspeelt, zonder gedachte, zonder wil. In 't riet klotsten de golven en kinderen hepen, waar zij ook zo vaak ging, en keken naar de boot,-een wijsje van een schoolliedje leek in de zachte wind naar haar toe te komen, niemand echter zong, maar zij zelf had daar ergens lopen neuriën, een dag in de laatste vakantie en nu kwam het wijsje ongedacht weer op dezelfde plek tot haar terug.
Dan beefde onder haar de machine plotseling feller en de boot
155