Dan sloop de kleine Lea wel naar de draaimolen toe en lichtte het zware zeil en zag in donker de verstarde beesten op de ijzeren stangen, dewoestgemaande leeuwen,paarden, vooruitbriesend met omgebogen kop,-en ze rook er de zwoele kermislucht van koek en vernis en stof en poffers, achter de zeilen als opgesloten-hoe geheimzinnig was dan plotseling de draaimolen geworden, waarnaar ze gedurende de kermisweek nauwelijks omgekeken had,-soms vond ze één koekkraam nog open, een kleurige verrassing tussen de gesloten tenten, daar versnoepte dan de kleine Lea haar drie centen van de laatste zondag, die ze op die dag niet besteden mocht en dat leek haar het heerlijkste ogenblik van de hele kermis. De volgende dag vermeed ze dan de kermisbuurt, om het praatjesmaken en het blufferig redderen van de klompen-jongens niet bij te wonen, maar de dag daarna liep ze er weer onder de bomen, waar het nu zo kaal was, en trachtte mijmerend zich de kermis nog eenmaal voor de geest te roepen, en tuurde met speurende blik naar de grond, hopend nog iets te vinden, van de kermis afkomstig en door de mannen van de reiniging vergeten. Daarmee was dan alles vervlogen.
IV
Wanneer eenmaal de kennis voorbij was en september in het land, dan kwamen er, het ene jaar vroeger en het andere later, voor de kleine Lea een reeks van uitgezocht-heerlijke dagen. Reeds de naam van de herfstmaand, reeds het woord september had een verlokkende, zoete, diepe klank, en als ze het laatste augustusbriefje van de dagkalender had afgescheurd-want dat mocht ze altijd doen-en de grote, dikke 'één' voor zich zag, met het woord september daaronder, dan voelde ze een zoete bewogenheid,-de hele wereld leek haar ineens veranderd; een oud decor, het zomerdecor, was weggeborgen, van rood en groen en goud en sterke geuren, een nieuw decor was opgezet, paars en bruin, waarbij de reuk van meloenen behoorde, en donker geregende grindpaden en wind, door droge bladeren schuifelend. Dan dacht ze ook aan een zinnetje uit een leesboekje. 'Ik houd van september. Dan zijn de peren rijp
153