het licht was en tussen twee ramen stond,-sinds zag ze het vaak genoeg staan, op haar weg naar school, maar als ze er zondagmorgens op hoorde spelen, zo dromerig en traag, terwijl buiten de zon scheen en de kippen kakelden, dan stond het voor haar ogen altijd weer opnieuw in de hoek en was het donker. Zo ook met de kermis; de kennis die 's avonds in bed uit joelen en warrig geluid, het helle bellen van de draaimolen, het gieren van de stoomcaroussel, het spatten en klappen van vuurwerk, het blerren der toetertjes als uit een golvende zee naar haar oprees, was een andere kermis, dan die ze even tevoren had gezien, een kermis zonder gestalte en vorm, toch zeer reëel, vluchtig en tegelijk heel bepaald, zoals geuren vluchtig zijn en bepaald,-ze zou op die kermis voor geen goud hebben willen wezen, maar er stilzwijgend naar te luisteren in bed, was een groot en wonderlijk genot. Op de laatste zondag mocht Lea helemaal niet naar de kermis en zelfs niet naar de Joodse school, die achter de kermisbuurt lag.
De kleine Lea ging nooit naar het opbouwen van de kermis kijken-ze vermeed juist liever het redderig gedoe van de schreeuwendejongens, die met alle geweld 'helpen' wilden,-maar de dag na de kermis, tussen twaalf en twee langs de gesloten en ontredderde kramen te lopen, in de matte rust die daar dan plotseling hing, dat mocht ze wel heel graag doen. Omdat de kermis de laatste week van augustus besloeg, was het dan ook meteen september geworden, de herfstmaand, waarvan de naam alleen haar al tot mijmeringen stemde. En somwijlen was het dan ookj uist op die dag voor het eerst van dat stille, peinzende herfstweer, waarin alle kleuren warmer schijnen, alle klanken gedempter klinken, alles dieper en intiemer wordt. Ook had ze dan, door die kermisweek, helemaal vergeten naar de bomen te kijken en bemerkte nu plotseling, hoe bruin hun bladeren al werden, of ze zag er een neerdwarrelen en terechtkomen op het witte zeil van de gesloten mallemolen. Maar ook zonder dat, was er een heerlijke, zoete droefgeestigheid in de aanblik van de gesloten kermis. Het was nu weer voor een jaar voorbij en toch, het was er nog, zoals een mens, dat dood, maar nog niet begraven is, en alles stond daar zo roerloos, zo moe en als zacht-bedroefd.,.
155