dan rolde de bode zijn linnen geldzak op en ging met hem de deur uit. Dan zuchtte Lea,-iets prettigs en bestendigs van de zondag was nu weer voorbij,-het knooppunt ook, waarin de zondag aan de Sabbath verbonden zat. Van het ogenblik af, dat de oude man, met of zonder vader, wegging en moeder de koffieboel borg, liepen de beide dagen nu telkens verder uiteen...
Met de kinderen uit de buurt spelen was voor de kleine Lea op zondag schier ondoenlijk. Ze waren dezelfden niet meer. Ze deden en keken nuffig, verstijfd en hoog, liepen met afgemeten stappen als op houten benen, bang voor haar schoenen met lakpuntjes, haar gestijfselde jurken, haren die als vlassen rosebestrikte kurketrekkers rond haar hoofd uitstonden, witte hoeden van opengewerkt stro, waardoor het zonlicht in figuurtjes op haar glimmend rode wangen viel, en witte garen handschoenen, die ze de hele dag niet schenen uit te trekken.
De kleine Lea was elke week vol bewondering dat al die dingen er altijd zo gloednieuw en smetteloos uitzagen en dat ze alles zo schoonhielden en ze begreep ook wel, dat de kinderen er doodsbang voor waren, sinds ze een van hen door haar moeder vreselijk door elkaar had zien schudden om een moddervlek op een witte rok, maar ze beklaagde ze toch diep en kon zich met geen mogelijkheid denken dat zij er zelf ooit zo zou uitzien. Ze spraken en keken zelfs anders in die zondagse kleren, hoog onder de wenkbrauwen uit en met voorname ingetogenheid. De kleine Lea vond het erg onplei-zierig,-de volgende morgen renden ze dan weer schreeuwend en klompkleppend het schoolplein op.
De zondag was dus voor de kleine Lea voornamelijk aantrekkelijk om het kijken naar het leven van anderen buitenshuis en het spelen in het grasveld achter de synagoge, daarom moest het voor de zondag zomer wezen. Dan waren er soms ook muziekuitvoeringen in het Park, voor een dubbeltje kon je er binnen komen, maar buiten hoorde je even goed. Lea kreeg nooit een dubbeltje, ze vroeg er ook niet om, ze zou het zelfs zonde hebben gevonden, ze zou misschien verlegen zijn geweest in de glimmende en stijve zondagse deftigheid, het sprak vanzelf dat ze buiten bleef luisteren en kijken, naar de mensen die tussen de heesters en langs de grasperken met
143