En dan verder de buren naar de kerk zien gaan, die in hun zon-dagsgoed andere mensen leken, daarom bijzonder, toch met dezelfde gezichten, daarom vertrouwd,-luisteren naar een harmonium, dat droomrig het kakelen der kippen begeleidde...
Uit de verte kwam soms ineens de doffe afscheidsroep van een vertrekkende zeeboot, en deed als een golf van ontroering in haar opklotsen,-het klonk gelijk een kreet van gelaten smart om af-scheidswee, het toverde de haven met de schepen voor haar ogen,-ze vroeg zich af, welk schip het wezen mocht, dat daar nu heenging en dat binnen enkele uren, als het avond was, midden in de grote zee zou varen en ze nam zich voor, de eerste woensdag te gaan kijken, want op zondag mocht ze niet en wilde ze ook niet, er werd dan in het 'Engelsche Bierhuis' gedronken en met messen gevochten, en er zwierven 'slechte mannen'. Dieven, dronken mannen en vechtersbazen waren voor de kleine Lea de barse en wrede verschijningen uit een geheel vreemde wereld, die toch soms angstig-vlak aan haar eigene grensde, en moeder was er al even doodsbenauwd voor als zijzelf.
Bij het zondagsgevoel hoorde het verwachten of er misschien niet eens plotseling familiebezoek zou komen uit de grote stad,-een enkele maal was dat gebeurd, maar meestal wist ze wel vooruit, als er zo iets op til was en vond het dan minder prettig. De ochtend ging gauw genoeg om, de bakker kwam laat, maar de kleine Lea wilde toch altijd liever wachten op vers brood dan het oude Sabbathbrood eten, dat vrijdags al was gebracht, dat maakten vader en moeder dan samen op; na de Joodse bakker, verscheen de oude Joodse gemeentebode, om het offergeld te halen, als vader de vorige dag in de synagoge 'opgeroepen' was, en anders toch het gewone geld dat vader als lid van de Joodse gemeente betalen moest. Hij bleef altijd even praten en dronk een kop koffie, dat moeder hartelijk en gauw voor hem zette. De kleine Lea mocht de oude man met zijn guitige ogen en glad gezicht vol plooien graag lijden,-ze liet zich door hem in de wang knijpen, maar zei nooit veel, hoopte alleen iedere keer dat hij nu eens wat lang blijven zou en nog een tweede kop koffie drinken en ze zat er stil-genietend bij te kijken, al begreep ze niet veel van wat hij met vader verhandelde. Moest vader echter weg,
142