alleen aan de waterkant lag het bloot en open, daar stond ook de vlierboom, scheef gebogen naar de sloot, in de zomer van geelwitte bloemschermen vol. De asvaalt was de woestijn, de vlierboom de oase. Bij het werelddeel van oase en woestijn hoorde de ijzig-kille bierlucht uit de kelder van de bottelarij,-want die woei naar haar op, zovaak ze langs de asvaalt kwam en die kelder was dus weer als een land apart, stellig uitgestrekt tot diep onder de grond, en waar ook allerlei vreemde dingen moesten toegaan, want de kleine Lea had geen vermoeden wat een 'bierbottelarij' wel mocht zijn.
Van het bruggetje af waren nog meer werelden haar eigendom.
Eerst over lage houten huisjes heen het land, waar tot diep in de horizont de koeien stonden, tegen de wazige silhouetten van belommerde dorpen en torentjes aan. Daar was het hele Vaderland en daar gebeurde alles wat ze van Vaderlandse geschiedenis wist en daar was het ook vol met haar eigen herinneringen; de gouden banen en banken van bloeiend koolzaad betekenden verhoging op school en zomervakantie, -het blinken van een sloot herinnerde aan een reisje, een wandeling, een verjaardag, zonder dat ze wist hoe dit kwam, alle voorstellingen uit schoollessen, versmolten met eigen herinnering, hadden hun eigen plek en stee in dat wijde, wazige, groene land, van zilverblinkend water doorsneden, door lommerwolken afgegrensd, waar heel ver weg molens wiekten in de damp.
De houten huisjes op de voorgrond, dicht bij, waren op zichzelf nog weer een heel afzonderlijk gebied. Als de kleine Lea eerst naar de kant van haven en water, dan naar de asvaalt, dan naar het weideland en eindelijk naar de houten huisjes keek, dan had ze binnen in zich een gevoel, alsof er nu met haar gebeurde, wat de meester deed met zijn viool, wanneer hij die stemde, juist zulk draaien als aan knopjes en schroefjes, zodat er telkens een andere klank te voorschijn sprong,- dat zag ze ten minste dikwijls als voor haar ogen gebeuren, wanneer ze op het bruggetje stond en van de ene wereld naar de andere keek.
^ Van de houten huisjes op de voorgrond zag ze de achterzijde, maar daarjuist bewoog het leven in en uit,-de voordeur en de ramen in de voorgeveltjes waren altijd, wist ze, dicht gesloten, ontoegankelijk, maar op de achtererfjes zwom op mooie dagen alles in
133