kwam,-nauwelijks er langs mocht ze gaan, vaag wist ze, dat er aan 'de schepen' iets gemeens en angstigs en geheimzinnigs was,-grote jongens mochten er wel komen, die brachten dan mee naar school brokken oude scheepsbeschuit, bruin en zuur, soms wit en droog, dan vol bobbeltjes en blaasjes. Soms kreeg ze een brokje en kon daarmee dan in haar hand blijven staan soezen, vergetend het op te eten. De schepen kwamen van geweldig ver, hoog als muren staken hun flanken boven het water uit, hun uitheemse namen, die peinzen deden, droegen ze onder de borstwering, grote ronde gaten als ogen. Lea was blij als er vele waren,-in de winter leken de bruin-geteerde, lege meerpalen in het verlaten water zo deerniswekkend eenzaam. Rondom de grote rijstboten uit Indië, lagen de kleinere die met hout uit het Noorden waren gekomen, ook geheimzinnig, maar anders, somberder en tegelijk zonder dat angstige, geheim-zinnig-zwoele. Door de reuk van het hout, die aan bossen en brakke meren deed denken. Dit alles te zamen was een werelddeel, in afzonderlijke landen onderscheiden, het werelddeel van het ruime water met de vlottende balken, de geteerde palen, de schepen; rijstboten en houtboten daarin de aparte landen: Achter-Indië, warm en zwoel, geheimzinnig, Rusland en Noorwegen, zuiverder, somber en kil, als koel en brak water. De huizen aan de overkant, de grindweg, de laan van jonge iepen, de pont heel ver, het hoorde allemaal nog bij dat werelddeel, als landtongen en eilanden, verstrooid, maar saamhorig. Op het bruggetje staande, terwijl de wind na het sterke transpireren, haar als met koelte overgoot, keek de kleine Lea dan naar de weg, die ze was afgekomen, de schepen voorbij, tot waar in de verte nu, met heftig golven het zware riet bewoog,-met dat riet, zo eenzaam, voelde ze dan ook weer medelijden en hoopte ineens dat de zwemmende jongetjes veilig thuis zouden zijn of althans onderweg. De huisjes in de polder over het kanaal waren nu werkeÜjk niet groter dan turven.
Achter haar was een ander werelddeel, het werelddeel van de asvaalt, het was daar alles grauw en koud en dor, van wat er gebeurde had ze geen begrip, er bewogen soms mannen in bruin, die met scheppen woelden in wat op hopen dor stof geleek,-een groot, kaal en woest terrein, omsingeld door bruine muren met een poort;
132