de zon. Oost-Indische kers fonkelde inkronkelingenrondallehekjes, en bij de muurtjes omhoog, als een feestelijke versiering, achter groene latjes stonden geranium en balsemien, de grasperkjes waren fluwelig en mals,-in de heggetjes kleurden de witte bloempjes, waarvan de kleine Lea wist dat ze zo fris naar honing roken, de enige bloemen die je vrij plukken mocht en die toch niet helemaal wilde bloemen waren. Dat blokje houten huisjes was Italië,-waarvan ze nog niet op school had geleerd, maar wel gelezen in de oude boeken op zolder, die vader soms op veilingen toekreeg bij een oud kastje of een klok die ze niet nodig hadden. Moeder keek altijd ontevreden als ze ineens van die veilingrommel thuisgestuurd kreeg, maar voor de kleine Lea was het de heerlijkste verrassing, er werden dan soms zo maar ineens nieuwe werelden in huis gedragen. Een ander maal ook zeiden de dingen haar niets, en keek ze er niet verder naar om.
De kleine Lea was wel heel bang voor het onweer, maar in het naderen van een onweersbui op het bruggetje te staan vond ze heerlijk. Allereerst om het zwieren en zwenken, dat alles dan deed, maar dan ook: de ruime werelden die haar toebehoorden met hun schatten en geheimen, lagen overal aan haar voeten, de spoorbaan, waar de rose winde rankte in 't zand, de repen koolzaad die overgang en vakantie beduidden, de dorpen in de horizont, waar 'Oud-Holland' lag in nevelen, verzonken maar niet weg, de scheepswerf op de voorgrond, waar ze zich vlak naast Italië, mannen met pofbroeken en brede hoeden verbeelden kon, en tussen hen Czaar Peter, -en dit alles lag aan haar voeten nabij, en terwijl stond ze veilig met het stadje rondom haar en het besef van haar huis dichtbij.
Een man duwde op de belommerde binnendijk, langs de lage woningen, zijn fruitkar voort en riep kersen of pruimen te koop, jongens joelden voorbij haar heen.
Maar daar voor zich in 't water, dat al donkerder werd onder het laagzinkend uitspansel, waar wolk met wolk tezamen schoof, zich aaneenvoegend, zich parend, geluidloos, dreigend over de laatste plekken blauw, zag ze in een weerschijn de bliksemschicht blauwi-gen,-dadelijk daarop lekten de eerste zware droppen uit de overvolle wolken,-angstig tellend hoeveel seconden de donder nog uit-
134