geen bescherming, trokken ook, meende ze, geen bliksem aan, maar ze behoorden tot het bewoonde, tot het stadje, waartoe zij ook behoorde; gauw kwamen dan ook de eerste huisjes, in de stroom de zwemschool, tussen de bruine zeilschepen dook in 't woelig water soms heel klein een dobberend hoofd met platgeplakte haren, dat kleine geluidjes uitstootte, dan weer onderdoopte en verdween.-Het water was nu rechts, links de spoorbaan achter een wrak hek, op een zandige lage dijk; aan de overkant koolzaad,-een trein kwam achter de kleine Lea aan uit de verte aangedreund, ze wilde niet omzien, voelde het in haar rug, als een rilling tussen de schouders, een trein onder een onweerslucht was iets bangs, maar een schip onder een onweerslucht was juist iets veiligs, de kleine Lea zag er een dichtbij, waar kinderen rondom hun moeder opgedrongen zaten aan dek en ze bond er zichzelf heimelijk aan vast en verbeeldde zich dat ze de mensen op het schip kende en dat zij haar kenden en dit gaf haar ontspanning: ze was nu niet meer alleen. Van het schip afzagen ze haar ook, het voer zo dicht langs de oever, ze had ze kunnen toeroepen, maar in plaats daarvan keerde ze liever het hoofd af, bang dat er iets spottends en onvriendelijks zou komen, dat haar gevoel van eenheid en veiligheid gebroken zou hebben. Naderde ze het stadje, zodat ze op de torenklok de wijzers kon zien en de zilte lucht van het in loodsen opgetaste vochtige hout naar haar toe woei, met de reuk van hooi en honing: koolzaad en klaver in het lage land aan de andere kant, waar koeien weidden tot diep in de horizont, dan werd ze al geruster-'t bleef tot nu toe bij rommelen uit de verte, ze kon vast vóór de bui haar huis wel halen om daar veilig weg te schuilen, tot 't ergste voorbij zou zijn; was ze dan eindelijk bij 'tbruggetje en 't sintelpad achter de asbelt, met de ene, eenzame vlierboom, dan vond ze het eigenlijk wel prettig, dat het schip, 'haar schip' nu maar koers nam naar de andere kant, op de schutsluis af. Zo gingen ze zonder ontgoocheling en met gave illusie uiteen.
Zo dicht bij huis, dorst ze nu ineens op het hoge bruggetje voorbij de asbelt wel over de leuning gebogen uitrusten van het snelle gaan, -het was haar lievelingsplek, ze had vandaar zulke ruime uitzichten naar alle kanten. Eerst naar de kant van stroom en haven, waar de grote zeeboten lagen, ieder van hen een wereld, waar ze nooit
131