de bloemperken en bloeiende acacia's. Er zaten vrij wat mensen in 't late zonlicht, fris-wit gekleed na 't middagbad de dames en de heren in grijze pakjes of wit-flanellen broek met blauwe jasjes. Prettig vondGerda nu toch weer al datEuropese.dat modieuze en welverzorgde der jongelui. Velen hadden tennisrackets voor zich liggen. Stond er, bij pozen, iemand op, dan dadelijk ratelde het van riks-haw-kerels, die buiten zaten te loer-wachten en met z'n allen afkwamen op 't vrachtje. Een dame in visitetoilet of een jonge man in tennispakje steeg dan in. Ze waren wel correct, van een voornamer allure, vond Gerda, dan de Hollandse tropenbewoners, niemand zag er vadsig uit, droeg de kenmerken van een al te rijk en te zorgeloos leven aan den lijve, maar zonder uitzondering hadden ze ook dat koud-onverschillige, dat door-en-door egoïstische, 't welk ze van de aanvang af al had opgemerkt. Op straat had ze er-zonder drift, in alle kalmte-met een rottinkje zien betikken de naakte rug van de voor hen uit dravende Chinees, en in 't berghotel had 't nalatige der bediening bewezen welk soort gasten ze er gewoon waren; de soort, die voor zichzelf zorgt en niemands hulp van node heeft, de soort, die gewoon is te commanderen en dan ook pas op commando wordt bediend.
Nee, zij verkoos dan toch maar de gemoedelijkheid van de Hollandse koloniën, met hun tradities van gastvrijheid en hartelijkheid-al verborg de uiterlijke schijn daarvan vaak wat anders-en de Hollands-Indische hotels, waar de bedienden traag zijn maar gewillig en de toon soms wat ruw, maar huiselijk.
Langzaam liep de tuin leeg; de gasten gingen op avondrit of -wandeling langs zee, tennissen of fietsen. De zon daalde, wat leek alles vredig en veilig in dit rood-gouden, stille licht! Wat leek de stad nu ver, met z'n beangstigend lawaai en dompe stanken. Wat zat ze nu heerlijk, als thuis, en met 't vooruitzicht van overmorgen Johan terug te hebben. Op 't drempeltje van de galerij zat Sarima, de zon glansde over haar heen; etend uit een pisangblad op haar knieën, gromde ze van tevredenheid, want die rijst-met-vis kwam van een Javaanse warong, die ze vlak bij 't hotel had ontdekt, en die smaakte.
Er kwam een heer voorbij, die z'n hoed afnam. Een knappe man,
121