daarna, alleen met haar schreiende kind en de humeurige baboe, verlaten en verloren bovenop die hoge duistere heuvel, tussen koude, vreemde mensen, in een vreemd land, zonder Johan... Toen had ze maar ineens besloten weg te gaan, zodra de morgen kwam; met 't gevoel van iemand, die uit een versuffing ontwaakt en nu pas goed weet 't verband van de dingen, had ze zich afgevraagd, of ze gek was geweest, om vrijwillig weg te gaan van Johan. Liet hij, lieten de Torrini's, liet iedereen haar nu maar uitlachen, ze ging terug, ze ging zo gauw mogelijk terug. Hoe begeerlijk had haar geschenen -terwijl ze daar had zitten rillen in de kilte van het prille morgenuur-de rust en de regelmaat van het verre huis, de voortdurende nabijheid van Johan, die immers alles altijd voor haar regelde en beschikte. Haar voorlopig verlangen, dat 't direct bereikbare raakte, was geweest naar het grote hotel op de begane grond, beneden in de stad. Daar zou ze althans verlost zijn van de angst, Kardoesje te zien neerstorten in een ravijn van een dier steile stenen trappen af, waarvoor die Engelse egoïsten met hun koele ogen en laatdunkende gezichten zelfs niet de hekjes sloten, al zat 't kind er vlak bij te spelen. Hier wilde ze weg, dadelijk; ze hunkerde naar 't uur, waarop ze naar de manager zou kunnen gaan en hem zeggen, dat de bagage beneden kon blijven, dat er draagstoelen moesten komen, want dat ze terugging, terug naar huis en man.
En ze was gegaan, de smalende glimlach van de manager had haar onverschillig gelaten, alles overheersend was het warme gevoel van weg te trekken naar huis terug. Ze was de heuvel afgedragen-zelfs de Klingalezen hadden gegrijnsd-en naar 't hotel gereden. Daar had ze Sarima gelaten met 't kindje en ze was eruit gegaan om Johan te seinen. Maar die tocht... o, die hopeloze zoektocht door de versuffende hitte, door de gloeihete straten, waar ze niets en niemand kende, waar alles vreemd was en vijandig scheen. Naar haar hotelkamer had ze, rechtop met wanhopig strakke ogen in de voortren-nende rikshaw, verlangd als naar een veilig en koel tehuis... ze had ten slotte maar 'kiri' en 'kanaan', links en rechts zitten roepen op goed geluk, want bij iedere straathoek had de botte, zwetende, uitdrukkingloze tronie van de draaf-Chinees zich naar haar omgewend, en dan moest ze kiezen onmiddellijk, welke kant ze wilde.
118