diepte. Enkel een paar tafeltjes in 't midden, vlak onder de stralende lichtkroon, waren nog onbezet.
Bevend zette Gerda zich op een stoel, héél schuw zat ze er, de ogen neer en turend op 't menu, om zich een houding te geven alleen. Want haar honger was ineens voorbij, 't scheen eerder of haar maag, haar keel stikvol waren tot boven toe. En ze voelde, ze merkte, hoe om haar heen de gesprekken even stokten, hoe de fraai-geklede dames koel en spottend, de heren onverschillig naar haar keken. Want zij was eenzaam,en daarom durfden ze... Wat dachten ze wel? Ze had óók een avondjapon, ze had óók een man. Alleen, de japon, die zat in de koffer... en haar man... die was zo ver, eindeloos verder dan dair, waar heel in de diepte de kleine scheepslichten blonken op het duistere zeevlak...
Maar hier, in de lichte zaal, bij die wrede, lachende of koel-laat-dunkende mensen, daar was het geen uithouden. En de Chinees, die juist haar soep bracht, haast tegen 't lijf, rende ze, opgesprongen van haar stoel, zonder omzien de zaal uit en snikkende naar haar kamer.
Daar was nu wel licht, maar ze vond er Sarima opnieuw weeklagend bij het bedje van Kardoesje, die haar juist het bord pap uit de handen had geslagen en luidkeels lag te gillen, dat ze buikpijn had.
III
Johan zat in z'n stil kantoor, waar niets anders geluid gaf dan de traag tikkende klok. Aan de grote djatti schrijftafel zat hij, keek de stukken door, die betrekking hadden op allerlei strafzaakjes van Inlanders en Chinezen en maakte er kanttekeningen bij. Maar 't werk vlotte niet, hij kon er zijn gedachte niet bijhouden; landerig zat hij z'n pen te bekauwen, te luisteren met halve aandacht naar de geluiden-hol weerkaatst door witte muren en marmervloer-in de kamers naastaan, en door 't raamgat naar buiten te turen, waar de zon zengend brandde op de dorre, slordige tuin.
Hij dacht aan Gerda, vermaakt en bezorgd tegelijk. Hij had nooit gedacht, dat ze gaan zou en waarachtig, daar had ze het toch doorgezet! Maar och, er zou wat van terecht komen! Als ze 't er een
112