op de ontdekking van haar koffers en van een badkamer uit. De gang was verlicht, de leeskamer ook en evenzo de biljartkamer, met stralende elektrische lampen. Ze zag er dames drentelen in weids evening-dress, met sleep, en decolleté, en van juwelen flonkerende kapsels. Rijke koopmansvrouwen uit Poeloe-Sirih ongetwijfeld. Ook heren, correct met hun smoking en gesteven linnen, met gladde wangen en hoffelijke glimlachjes.
Schuw haastte ze zich door de lichte hoofdgang, de steile, stenen trap af, naar 't kantoor van de manager. Teleurstelling! alles lag daar in duister, in stilte en verlatenheid, geen mens was er te zien. Ze ontwaarde buitenkomend haar bagage in een donker loodsje, maar daar was alweer niemand om haar te helpen ofte raden. Hulpeloos stond ze in de koele wind en zag om zich heen. Een paar heren zaten wel op een stenen bank, een eindje verder, sigaretten te roken; ze hadden even met onverschillige blik naar haar omgekeken, zetten daarna hun gesprek weer voort. Tranen sprongen Gerda in de ogen. Hoe onaardig! Hoe onhartelijk! Hoe had ze ook maar één ogenblik in gedachte de Engelse kolonisten kunnen verheerlijken ten koste van de Hollandse. Ze zagen toch, dat ze wat zocht, dat ze hulpeloos stond en niet wist van hoe-en-wat. En bleven maar doodkalm zitten praten en roken! Een Hollander zou hulpvaardiger zijn geweest jegens een eenzame vrouw!
In godsnaam maar weer naar boven. Ze kreeg honger, ze moest wat eten. Hoor, daar ging juist de bel, ongetwijfeld al voor 't diner. Haar horloge... Vergeten, thuis. La Torrini had 't moeten weten. Was ze daar maar weer... Ze dacht even aan de gezellige achtergalerij thuis, waar ze anders om deze tijd in halflicht gingen eten. Nu was Johan er alleen en zij...
Een schrik beving haar, zodra ze de hellichte eetzaal binnen kwam. M'n hemel... wat een toiletten... wat een fonkelende juwelen, wat een vrolijkheid! Aan tafeltjes zaten er de gasten in hun fraaie avondtoiletten, in groepjes van drie of vier, of nog gezelliger, bij paren. En zij alleen, zij heel alleen! In een hoekje kruipen ging ook al niet, daar en langs de wanden waren alle tafels bezet, en geen wonder, want aan iedere kant uit de open ramen was heerlijk vergezicht over de duistere heuvelen, op de verre zee en op 'Poeloe-Sirih' in de
in