over gestrekt in 't tegenhouden van z'n vaart.
O, het was niet uit te houden. De benauwing schroeide haar in de keel, lag haar zwaarklemmend om de borst. Immer dat kreunen, ononderbroken de stroom van dat hete slavenzweet. Ook krakte nu bijwijlen de stoel en Gerda begreep, dat ze met groter inspanning dan tevoren sjouwden, soms met rukken haar moesten opwaarts zeulen.
Plotseling... de vaart vertraagde, een scherpe bocht, een klein plateau lag voor hen uit, als een open plek in 't hoge woud, waar een drinkfontein stond en een loods met atap gedekt en met banken om te rusten. Een zwaai van tien pezige armen tegelijk en de stoel, zonder schok of stoot kwam neer op de grond. Een zwarte kerel met een mand vol groene djeroeks liep dadelijk naar Gerda toe, ze kocht wat van de vruchten; waar Kardoesje om vroeg, ze waren hard en zuur, maar de afzetter liet er haar buitensporig voor betalen. De dragers drongen al om de drinkfontein heen; onbekommerd om hun verhit-zijn, schrokten ze grote slokken uit de snel-gevulde klapperdoppen, wierpen die daarna achteloos tegen de grond en spoedden zich naar de rustloods. Daar zat een gele Bengalees, die niets te doen had, een rozenrode tulband droeg en een witte kaftan en die met smadelijke lach van leedvermaak de afgejakkerde Klingen bekeek, die nóg kromliepen, al drukte voor 't ogenblik geen last hen meer de schouders.
Maar nu zag Gerda, die belangstellend rondkeek over dat pleintje vol gedempte kleur en stil-leven in schaduw, aan alle kant van hoog rijzend geboomte omsloten, van de rijzende weg voor haar uit een draagstoel afkomen, en nog een, er vlak achter. Die waren al gauw op 't pleintje, werden daar neergezet en het vreugd-geschreeuw van de mekaar ontmoetende koelies sloeg plotseling door de stilte met rauwe klank. Onbeweeglijk in de stoelen gezeten zag Gerda een grijze Engelsman met een snorbaard en een bril en de koel-laatdunkend kijkende veel jongere dame, die z'n vrouw of z'n dochter kon wezen. Ze blikten even, onverschillig naar haar en naar het kind, en Gerda bedacht, dat zo een kille ontmoeting, zonder groet, zelfs op een eenzame plek, in een Hollandse kolonie toch iets ondenkbaars was, Hollandse tropenbewoners zouden zonder
106