met moeilijk wenden der zwarte koppen, nog even om naar hun kameraads met een vragende grom. Daarna op stap.
't Groepje leeglopers dat zich had verzameld bij de vertrekplaatswaar een menigte van kroegjes en van eethuisjes was-, de Sikhdiender bleven achter, onhoorbaar betraden de zwarte dragersvoeten 't rood-bruine stof van de stijgende weg. En na de hete roezemoes van de volle, zonnige stad, deden de koelte en de volmaakte stilte rondom aan als een weelde. Met 't kind op schoot, rustig geleund in haar diepe, overdekte stoel, die zonder schokken opwaarts werd gedragen, voelde Gerda zich nu weer prettig en verwachtingsvol. Ze keek links en rechts naar de smalle zijpaden, die schuin-op-waarts wegglipten tussen de bomen, en ze zag aan bordjes en handwijzers, dat die paden voerden naar villa's en 'bungalows' verder de heuvel op.
Maar geleidelijk aan begon er een storend en ontstemmend gerucht de strelende stilte te verbreken; naarmate ze klommen, werd zwaarder het hijgen der dragers; tot zacht kreunen toe. Onverbro-ken bleef dat gekreun het op-en-neergaan van hun adem begeleiden. Ze hielden hun snelle klimgang niet in, maar het zweet gutste ze uit de zwarte nek over de bol-gespannen, spierige rug naar onder tot in de lendedoek toe.
Gerda werd er wee van. De gedachte, dat zij daar rustig zat in haar stoel, terwijl vijf mensen om haar alleen onafgebroken zwoegden als ellendige knechten, gekromde slaven, die gedachte begon haar lijfelijk te benauwen. Ze voelde 't zweet op haar voorhoofd parelen en klam uitbreken onder haar kleren; ze móést dat kreunen beluisteren, ze móést voortdurend naar die natte ruggen daar vlak bij haar kijken en ze had 't gevoel of ze zou gaan meekreunen en even hevig zweten als dat nog lang moest duren.
't Móést nog lang duren! Ze hadden de stop- en drinkplaats halfweg nog niet eens bereikt. Stil en koel stond aan weerszijden van de weg het roerloze schaduwbos. Maar hoog uit de lucht moest de zon wel branden en martelen, al werd zij gespaard door 't schuttende dakje. Enkele malen kwam hun een afdalende koelie, met een pak op 't hoofd, van boven af langs het steile pad tegemoet, die ging bedaard met wijde stappen op de tenen, z'n slanke, zwarte lijf achter
105