De kap'tein, die een beetje geuren wou bij z'n passagiers, sprak de oude kerel aan in 'n taaltje, dat hij zeker voor Arabisch wou laten doorgaan, en de grijsbaard antwoordde met een lach van honende beleefdheid; z'n zachtzinnige gedempte stem mompelde een paar woorden en hij haalde de mand naar zich toe en klepte er 't deksel af.
Gerda keek met weerzin in die walgelijke massa van dikke kronkels neer, waaruit nu boosaardige platte koppen met nijdige ogen kwamen oppunten, ze ging onwillekeurig wat achteruit. Maar de Arabier lachte en keek geruststellend met z'n uitgedoofde zwarte ogen naar haar op.
Nu werd ook de aandacht van de anderen gaande. Op hurken en knieën schuifelden ze naderbij, lachend zonder geluid, de ogen gretig en ze maakten een kring, die ze in bange eerbied wijd hielden rondom de bezweerder en de vier rechtopstaande Europeanen. De Maleise kinders, in mekaar gehurkt als kleine aapjes, de dikke gladde handjes op de vuile knietjes keken toe met hun blinkende oogjes; en de glimlachende bezweerder stak nu met zwierig-onverschillig gebaar de blootgestroopte arm diep in de mand. Een 'wah' van verbazing en ontzag zuchtte op, nu de bruine Arabierenhand weer bovenkwam, met een drie, vier lange slangen in losse greep bijeen, die woedend zwaaiden met de schubbige lijven en hun kwaadaardige koppen nijdig rukkend heen en weer bewogen. Maar de oude man, met z'n geheimzinnige glimlach, die sluw en triest tegelijk was, begon ze, mompelend wat toverwoorden moesten zijn, kietelend over de koppen te strelen; al de koppen rechtten zich dan, al de ogen staarden hem in 't gezicht, de elastisch-opgekromde lijven slapten omlaag, zacht bewogen de nerveuze staarten heen-en-weer.
Nu opende de bezweerder z'n hand, langzaam, en liet over z'n uitgestrekte arm, pezig en bruin, de dieren naar boven kruipen; één wond hij zich als een reusachtige armband, vierdubbel om de pols, nijdig keken de zwarte priemoogjes uit de opgerekte kop de omzittenden aan, even, dan liet de bezweerder het kronkelende beest van z'n neergestrekte hand in de duistere mand terugglibbe-ren en terwijl z'n vingers daar wriemelden naar andere, hingen er drie over z'n schouders, vleiden zich glibber-kil om de bruine hals,
97