Al minder menschen.... minder licht.... al minder praten ze ook zelf.... ze hooren hun schaatsen krassen, ze hooren hun magen rommelen. Soms knikt je knie of een been wil ineens niet mee.... en ongemerkt weg heeft zich de zon laten afzakken tot bijna op de sneeuw.... je weet dat daar de zon is, maar je ziet alleen wat geel en wat paars achter wolken als opgerolde dekens in den horizon opgestapeld. Lichten vooruit.... wimpelgekrinkel.... zwart gekriel om tentjes-blank... vlaggetjes-bont... een heel figuur van witte baantjes over het wijde, donkergrauwe ijs.... ja, maar we zijn er nog niet en de leste loodjes.... Hier zijn de beide oevers bebouwd, lang en grauw staan lage pakhuizen, zwaar, vervaarlijk rijzen de hooge muren van fabrieken op, hun torens staren tot ver over den verstijfden stroom. Het huis en de winkel van Emanuel Krant staan niet aan den weg, die meeloopt met het water, maar in de breede binnenstraat, die het dorp op een stadje doet lijken, omdat er echte mooie, groote winkels zijn. Wat sta je stram ineens op den kant, je schaatsen af, je beenen als stokken, je voeten gek-plat en zoo kaal, maar tintelig-warm.... je loopt en voelt geen straat, je zolen slapen, zelf slaap je bijna ook.... het suist door je ooren en wat een honger.... Wat een tocht en ook niets te vroeg.... kijk nog eens even over het ijs, voor we in de binnenstraat gaan.... net voor donker aangeland.... want kijk.... van alle kanten komen de menschen terug.... in risten zweven ze aan.... heele rijen staan gebukt hun schaatsen af te binden. Het huis is warm en licht, het ruikt naar appels, dat wisten ze vooraf, het ruikt naar koffie, dat is een verrassing, een verkwikking, een hoop.... het ruikt naar erwtensoep.... dat hebben ze niet durven droo-
257