Dat zou je nog tegenvallen, denkt Vader. Misschien is het wel weer een spekrijderij. De arme weduwen en de arme menschen krijgen dezen winter lekker veel. Weet-je dat er voor vrouw Buis een half mud aardappelen en tien pond gort en twee zijden spek gewonnen zijn? Drie jongens en twee heeren hebben voor haar gereden.
Het wordt nu gaandeweg weer voller op het ijs, een kleine baan bocht langs de groote om en je ziet aan den eenen kant weer huizen en tuinen en wit-gemutste koepeltjes en steigertjes en schuitenhuisjes. Effen dof-grijze ijsvloertjes schemeren tusschen de latten, maar de schuitjes? Die werden tijdig droog gehaald, ze zouden anders kapot gevroren zijn, een groot, sterk schip kan daar veel beter tegen. Er branden al lantaarns, groote, bleek-gouden spikkels in schemer en sneeuw, de dorpsstraat loopt met het water mee. Je zoudt nu zoo, door elk steegje, langs elk slootje, als je wou, in eens midden tusschen de huizen en de menschen van die vreemde straat kunnen loopen. Waar kwam je uit? Daar bij de kerk, zie je het torentje niet? En dan loopende terug. Doen? O neen, Vader, alsjeblieft niet.... we gaan toch nog veel verder door!
Weer een bocht.... en een brug onder door.... en de baan krimpt weer samen, smaller en grauwer, de oevers wijken verder van elkander af, aan den overkant is allang niets meer dan grauwe verlatenheid en sneeuw.... sneeuw.... witte velden, met bevroren slooten als zwarte lijnen er door heen, maar ze zijn te smal, het ijs is er slecht en er rijdt daar geen mensch. Huizen, tuinen, steigers, schuitenhuisjes laten ze in het schemerdonker achter zich.... zijn we al op de helft, Vader? Ja, al even erover heen....
256