duwend over een vloertje van donker, hard, gladspiegelend ijs, je zou eronder kunnen kruipen. Maar liever niet, ze staat er liever naast en houdt haar hand om den rand. Wat ligt het stil, en als dood, het bruine schip, en heel en al verlaten en vader denkt, ook zeker leeggehaald, alles dat niet nagelvast aan dek zat tot zelfs de mast werd weggenomen. Het schippers-gezin is nu ergens aan wal onder dak, bij familie, in een warm huis.... en het schip lieten ze eenzaam achter in ijs en sneeuw en hier ligt het nu, verlaten, o arm schip.... Ze knijpt haar hand om den rand en moet gauw even met haar mouw langs haar oogen vegen. Klaar.... en knelt hij nu niet״., zit hij nog wel zoo goed als daareven?
Nu kijk je maar niet links en niet rechts, en gaat je neus achterna tot de witte baan terug.... ziezoo.... ja, nu moeten de beenen weer eventjes wennen, weer los-gereden worden. Ze rijden al weer los.... het loopt wel los.... hoe grappig.... bedoelen de menschen dat? Ver weg al achter ze het schip.... het eenzame schip, dag schip!
Kijk.... links voor ze uit.... tusschen de witte velden in. Vlaggen in een schuins-verkorte rij, als vlak achter elkaar, aan malle, korte stokjes uit de sneeuw. Dat lijkt natuurlijk enkel zoo. En menschjes als dikke dwergjes zonder beenen, die glijden langs den witten rand, langs andere dwergmenschjes heen, die boven op den rand staan kijken.... Dat lijkt ook alleen maar zoo.... ligt die sloot of die vaart dan zoo diep? Ja, het is een kanaal, en er staat niet veel water in, maar wèl flink breed. Een bocht om en de vlaggetjes wijken vaneen en hun rij rekt zich veel langer en veel opener, je ziet nu duidelijk wat er gaahde is: een hardrijderij. Wat een korte baan!
255