aangestoken, want eigenlijk donker is het nog niet. Je ziet nog duidelijk de menschen aan de ramen zitten, je zoudt nog heel goed onderscheiden tusschen de witte en de zwarte strepen van het Arbang-kanfou en zoolang dat kan, is het geen nacht.... Zullen de boomen nooit tot rust komen? Hoeveel uren gaat dat nu al, van gisteravond af.... De hoogste takken hebben het het ergst te kwaad. De hemel is een grijze brei, een dunne soep van grauw en geel en waterig wit. Daar op het bruggetje moet wat te kijken zijn, twee jongens, die twee andere tegenhouden en roepen, wenken, ze is er bij, tuurt in de sloot, een zwarte rat zwemt in het zwarte water vlak langs den kant en keert en zoekt en zwemt terug, ontduikt een steen, en kruipt een hol in, en is weg.... Ze draagt iets in zich, weet niet wat, dat zoet en smartelijk welt, dat gelijktijdig troost en nijpt.... je kunt het nog geen denken noemen, het is wel in haar maar ze heeft het niet, ze ziet het niet, nog niet.... het komt dichtbij.... maar je moet het niet willen, hoe meer je het wilt, hoe min je het krijgt, je moet niet willen, je moet erop wachten, je moet naar dingen kijken, aan dingen denken, maar zorgen dat je het niet uit het oog verliest. Het komt.... het zwelt, het zoete nijpen is nabijer, voller.... en plotseling weg, omdat ze het weet: het is de vogel. ״Alles rust, van lief en leed in den slaap ontheven." De maan, de hemel, slapende huisjes rond een kleinen toren.... de vogel waakt.... hij fluit, zijn kopje omhoog.... O ja, maar.... ״Eenmaal zal het zwarte zand, als de nacht ons dekken.... en geen lieve vriendenhand, uit den slaap ons wekken." Omdat je dan dood bent.... omdat je er dan niet meer bent.... Ze blijft plotseling staan.... er was iets, dat ze bijna
Avontuurtjes 16 241