kan, een omgevallen koekepan.... een dikke poes, die niet weet waar het eerst naar toe, en wat het liefst, de vette worst of de dikke plas melk. ״Dom Antje en knap Lijsje".... neen, maar dat zal me zoo wat zijn! Wie daar de eerste beurten van krijgen. Nu zit toch die Aaf Stam al een uur met haar vinger in de hoogte en geen woord zal ze zeggen, eer dat de meester naar haar kijkt en haar vraagt wat ze wil, al moet ze nog zes uur wachten, al zat ze zoo den heelen dag, want ze ging nog liever dood dan dat ze praatte voor haar beurt of iets riep door de klas. En toevallig keek de meester juist al tijden haar kant niet uit. En nu zit ze daar maar, met haar vinger in de lucht en haar hoofd een beetje in de hoogte, zoodat haar witte vlechtjes juist telkens in en uit den rand van haar boezelaar kruipen.... en haar voor-buren en haar naaste buren en haar achterburen stoo-ten haar aan ״meid, wat moet je toch, wat moet je toch?" maar ze zegt niemendal, want je mag immers niet babbelen in de klas! Trijntje Boer durft eindelijk roepen ״Meester, Aaf Stam wil u wat zeggen." ״Zoo Aaf, en wat heb je dan wel?" ״Kan niet hooren, meester!" ״O, daar heb je dien schreeuwer ook weer." Maar de meester heeft het zelf niet verstaan. ״Zeg het nog eens Aaf." ״U slaat twaalf lessen over, meester!" Neen.... maar o.... maar o.... maar o, dat zal de meester zeker zelf niet weten. ״Dank je wel, hoor Aaf." Is dat lachen.... ze snikte ineenen het uit.... en haar wangen zijn nat van de tranen.... De glazen kooien van de straatlantaarns lijken met gouden vonken rondom in brand te staan, ze zijn zoo nat, ze vangen en breken en kaatsen eindeloos de vlam; zeker om de menschen die buiten zijn wat op te wekken, heeft Hoorn ze vandaag zoo vroeg
240