״Kan niet hooren, meester....!" Ze houdt op, ze hoeft niet om te zien om te weten wie zich daar over haar beklaagt, het is roode Bertus Lap, met zijn witte oogharen en zijn sproeten en hij doet het om 4te treiteren.... maar het mag, je mag klagen als je niet hoort, dan moet de ander maar luider lezen, ze doet het zelf ook, als Aaf Stam leest en van bedeesdheid geen geluid durft geven —, omdat ze aan Aaf Stam zoo een hekel heeft. Nu zal ze over moeten lezen.... en ze zal het niet kunnen.... ze zal het niet kunnen.... want zooeven al dansten de letters, kantelden dik en scheef, met trillerige zilverrandjes en haar oogen voelen van binnen koud, zooeven heet... Ze kijkt van haar boek niet op, wachtend wat de meester gebieden zal, maar verneemt geen geluid dan het bladerend zoeken in zijn boek. En plotseling is de storm weer vlakbij, als over een wit veld kwam hij nader.... een vlaag.... je ziet de boomen zwiepen als werd er aan gerukt.... even.... en de regen heeft zich tusschen binnen en buiten gesteld, heeft alles onzichtbaar gemaakt en het loeit in de kachel.... en iets roods vliegt achter het regengeschimmer de ramen voorbij, klettert op straat kapot.... een dakpan die naar omlaag werd gesmakt! „Zoek allemaal op.... les drie-en-twintig." Neen, maar.... wat gaat er nu gebeuren, dat de meester het halve boek overslaat? Ze waren nauwelijks met „Goeden Nacht" twee keer rond geweest. Les drie-en-twintig, achter in het boek! En wat kan het zijn? Geen die het weet, want zóó ver durft niemand ooit stilletjes vooruit te lezen. Enkele boeken zijn tot zoo ver zelfs nog niet opengesneden. Heb jij het...? Heb jij het al....? Elk die er is, schiet ineenen in den lach, om wat hij op het prentje ziet: een gebroken
239