van een stam dien je niet ziet, en er spruiten twijgjes af, en inktzwart is het gebladerte en inktzwart is de vogel en blinkend-blank zie je een streepje van de ruimte, tusschen de helften van zijn snavel, die open staat. Want hij zingt.... of hij fluit.... hij zit aan het uiteinde van den tak, tusschen de laatste bladeren klemmen zijn pootjes, hij zit als middenin den hemel boven een groote ledigheid, en rondom is een groote ledigheid, hij zitheel alleen enzingt....Wieishij?Waar-om zingt hij ? Wat zingt hij ? Hij zit hoog, hoog boven de aarde, boven dat slapend dorpje uit, het prentje toont hem grooter dan den toren. Waakt hij over dat dorpje ? Waakt hij over de wereld ? Waakt hij over de menschen die rusten ״van lief en leed in den slaap ontheven," in de kleine zwarte huisjes, rond den spitsen toren heen? Zou dat dorpje ergens zijn....? Ze hoorde niets, maar ze voelt ineens om zich heen een zacht geroes dat haar betreft, ze kijkt op en kijkt den meester in het gezicht. ״Zat je een beetje te slapen?" ״Neen meester, ik.... keek naar het prentje." De meester kijkt nu zelf ook naar het prentje. Ze zou willen vragen of de meester denkt dat die vogel zingt of enkel maar zijn snavel open heeft, ze voelt haar mond vol van de woorden.... maar het kan al niet meer.... ze moet lezen. Ze kreeg geen standje en geen straf, de meester wees haar de beurt:
Eenmaal zal het zwarte zand
Als de nacht ons dekken
En geen lieve vriendenhand
Uit den slaap ons wekken....
Al zachter, al heescher hoort ze haar eigen stem, zwaar komen en volgen de woorden:
Sterveling, vermoeid van krachten...
238