ben allemaal even slecht ge-hoofd-rekend en ze zijn allemaal even blij dat het rustige lees-uur gekomen is. Beurtelings staat er een les en een vers in het leesboek, beurtelings hebben les en vers een prentje —, gisteren lazen ze een les zonder prentje, ׳— voor vandaag is nu een vers met een prentje aan de beurt. Het ligt voor haar, het heet: ״Goeden Nacht," en ze leest alvast de eerste regels:
Zwijgend spreidt de nacht zijn kleed
Over woud en dreven....
Nu is ineens de storm, nu zijn ook de onrustige geluiden ineens veel verder van je af.....,Zwijgend
spreidt de nacht...." en iets in je wordt dadelijk glad en warm naar omlaag gestreken.... Bij ״woud en dreven" kun je dadelijk droomen gaan, ״woud" is een mijmerwoord en ״dreven" kun je niet anders dan alszacht-glooiende verten denken. Dat zou allemaal zoo wezen, ook al was er geen prentje bij. Je ziet er trouwens geen woud en geen dreven op, enkel een dorp, heel klein, want rondom een hoog spits torentje enkel wat huisjes, laag en plat. Hoog in den hemel een smalle sikkel-maan, die ligt als achterover op zijn rug gekanteld. Alles nachtzwart en blink-wit.... je hebt meer van die prentjes, ze hebben geen lijnen, ze hebben geen grijs. Het hoort duidelijk bij den derden regel: ״Alles rust, van lief en leed in den slaap ontheven." In die lage huisjes, rondom den spitsen toren.... in die huisjes achter de toegesloten vensters.... in hun bedden met hun oogen dicht.... Hoe stil is daar die nacht.... een zomernacht zeker, want een vogel fluit. Vooraan op het prentje zit de vogel, hoog op een tak, die reikt inktzwart de hemelruimten in, die steekt sterk en dik uit de knoest
237