van storm in den morgenstond houdt ze eigenlijk wel, na storm in den nacht.״, je loopt erin, je kunt ertegen vechten, je hebt licht en menschen om je heen en nimmer zoo schrikaanjagend als in donker is bij dag zijn stem. Ook bleef het droog, en het was niet eens koud die eerste uren van den dag.... maar tegen den middag slorpte een bijna-nacht'lijk donker het kwijnend zilverlicht op, er joeg een angstaanjagend joelen door de ruimten en plotseling braakten de zwarte luchten regenstroomen uit. In de morgenuren stond ongenaakbaar de school in het windrumoer, geen vreemd gerucht kon zich in zijn eigen adem mengen.... maar de wind is gekeerd en nu lijkt het wel of overal scheuren en spleten zijn, er waren koude stroomingen onderlangs de beenen, er vallen kilheden uit de ramen neer, tochten wapperen om de hoofden, rillen tusschen de schouderbladen—, en de kachel gaat wel vervaarlijk te keer, maar zonder veel warmte te geven. Het is alsof je de helft van je kleeren had uitgelaten, zoo huiverig en als bloot steekt je lijf in de schemerige leegte boven de banken uit. Ze zaten nog geen kwartier, toen sloeg met hartopjagend bonzen de glazen tochtdeur stuk en een poos lang viel nog telkens een scherf op de steenen rinkelend te bersten. Net waren ze daarvan wat bedaard of er bonsde, met echo's door de heele school, een losse blind of een zolderluik ergens tegen aan en ineens werd het door gangen en op trappen een gelach en geloop van groote jongens, door de meesters uitgezonden om overal grendels en klinken en sloten en wervels te voorzien, en nadien kwamen er geen groote geluiden meer en is er verder niets gebroken, maar van overal piept en kreunt en flappert en zaagt het aanhoudend. Ze heb
236