EENMAAL ZAL HET ZWARTE ZAND,
D
en heelen nacht door heeft de storm gewoed. Het huis hield hem maar met moeite buiten. Je hoorde, je voelde hoe hij schuifelend, sluipend zwakke plekken zocht.... hoe hij dan aangerukt kwam, rammende dat alles trilde en kreunde.... hoe hij weer aftrok, zuchtend van uitputting, grommend van kwaadaardigheid.... en even later weer opzette.... hoe elke vezel van het huis zich sidderend spande om hem te keeren.... hoe hij dan weer opvloog tegen de boomen om aan hen zijn woede te koelen dat geen huis hem inlaten wou.... Want boomen staan ongeborgen weerloos, dag en nacht, door winter en zomer heen, en hoe moeten ze verademen in het morgenlicht, na uren in donker mishandeld te zijn.... In den flauwen gloor van dezen morgen keken ze neerslachtig neer op de geknakte takken rondom hun stam.... met groote gaten in hun daken geslagen, de heele hemel open en bloot.... Op uit de diepten van den horizon, de een achter de ander, al meer, al meer, rijen onuitputtelijk, pijlden de flodderige, losse wolken omhoog, en stormden als razenden den hemel over, in zijn volle breedte, op naar den hemeltop en weer neer, tot ze wegdoken in den anderen horizon, als riep ze daarheen tot zich de wind, wiens boodschaploopers ze zijn.... en in hun haast verloren ze stukken van zichzelf, die zichzelf ontrafelden en dan vervloden naar alle kanten de ruimten in. Half hoog de hemelhelling een doordringend zilverlicht: de verscholen zon! In dat scherpe zilverlicht gingen ze naar school, door den storm, maar
235