van een gebouw, van een toren, een weg, een schuitje in een kanaal.... o, maar dat is ook zoo benauwd, dat hellingen al steiler, en gangen al smaller worden, dat trappen zich kronkelend in de dikten van muren wringen.... soms begon het heel gewoon, het wordt gaandeweg erger, het wordt als met sprongen erger, het verandert ineens.... je gaat bijvoorbeeld in een klein huis, en er komt geen eind aan de kamers, het is een paleis.... je zoudt denken, nu heb je een prettigen droom.... neen.... er is toch immers aan alles dat stille en dat gluiperige donkere.... je loopt en komt niet verder, je gaat óver straat in je hemd, je struikelt bij eiken stap.... je zinkt een afgrond in.... ploft op den bodem.... neen, je ploft niet.... je bent zoo licht en zoo los als meel.... en het allerergste is dat gluiperige aan gewone dingen. Wat kun je ook droomen jarenlang onthouden.... straten in de stad, waardoor je toch meer dan een keer bent gegaan, huizen die daar staan en die je kent.... je moet altijd even zoeken, even denken.... en langzaamaan stelt het zich dan samen in je herinnering... maar een droom, dien je één keer droomde.... dat lage zwarte huis met toegespijkerde ramen midden in een schemerland... en een koe die loeit... en niets meer... en ineens staat daar een mannetje dat je nergens vandaan hebt zien komen.... dat allemaal is er in eens en tegelijk... daarvan vergeet je niets... dat staat voor je oogen als een prent.... en je hebt het blad maar om te slaan....
Is de gang zoo nauw geworden dat je niet meer kunt ademen, dat de grauwe, koude wanden je raken.... of kun je niet meer bij die helling op.... of zie je peil-looze diepten, waar je een vlakken weg verwachtte... of knik je door je beenen zooals je vlucht voor die
227