dolle koe.... je liep in een heele menigte menschen en opzettelijk pikte hij jou er tusschen uit.... en je valt er bij neer.... en hij heeft je.... dan word je wakker.... en je weet dat de koe er niet is en de afgrond niet en niet de helling, waar je noch verder op, noch af kon komen, en niets van de dingen die je droomde.... maar toch is er iets, dat om je heen hangt, in de kamer, in je bed, dat geen oogen heeft en toch naar je loert, en geen vorm en dat toch vlak om je is en tegen je opdringt, je durft geen lid van je lijf verroeren, je zou voor geen geld uit bed durven komen.... en als je zoo bent, pas wakker geworden uit een naren droom.... en alles nog door elkaar.... en zoo lam en verward.... en niet weet in welke wereld je hoort.... O, ze voelt het in haar voeten, den lauwen griezel en ze beweegt ze over de tree beneden die waarop ze zit en misselijkheid overkomt haar, en haar handen zijn nat van haar klamme gezicht.... Hè, het was of ze bijna weer droomde.... en wat werd het donker in dien kleinen tijd.... Hij komt niet met den hengel.... hij vergeet haar, laat haar in den steek, is met zijn vriendjes gaan spelen.... ach, het hindert al niet meer.... waar dacht ze toch aan? Aan droomen.... neen, want daarvan schrok ze niet op.... ze voelde het aan haar voeten, voelt het nog alsof haar voeten misselijk werden. Wie zou je gelooven, als je zoo iets vertelde, wie zou ze het trouwens durven vertellen? Droomen vallen uiteen zooals een stukje uitgebrande turf dat je wrijft verpoedert tot asch tusschen je vingers, wanneer je ervan vertelt.... ze kijken elkaar aan.... is dat alles, is dat om zooveel drukte van te maken....? Ze hebben gelijk, je voelt het zelf, de griezel loopt tusschen je woorden vandaan.... je woorden zijn als een
228