״En toen heb je stilletjes.... en weet je nog wel die heer?"
„Die heer....? O ja.... ja, die nam me er tusschen uit.... en die zette mij achter een stoep, in een hoek.... want het was buiten.... want ik zong toch dat andere lied.... met mijn oogen stijf dicht.... en o, dat giert zoo gek door je ooren als je wat anders zingt tusschen de anderen door.... het was een heel andere wijs.... en die heer kwam stilletjes achter mij.... en die nam me er tusschen uit...."
„En van de tractatie heb je niets gehad...." „Neen.... maar achteraf werd er toch nog een opgerolde prent met een grijs strikje en een groot stuk koek voor mij thuis gebracht!"' Als ze klaar zijn met lachen, staat de schipper op en gaat naar een hoekkastje boven een bank en neemt er iets uit en komt er mee naar de tafel terug, en reikt naar weerszij, aan Vader en haar elk een fotografie. Ze ziet het dadelijk: het Feest. Vlaggen, neerhangend of opwapperend, in hun beweging als gegrepen en voor altijd zoo vastgehouden.... vlaggen, die de huizen tegenover elkaar, elkaar lijken toe te reiken, zoodat ze midden in de straat elkaar kruisen, een warreboel van zwarte en witte banen, in alle richtingen doorsneden, achter elkaar om, boven elkaar uit, onder elkaar door.... en onder dien hemel van vlaggen heel beneden in de lange, rechte, smalle straat, de menschen piep-klein tusschen hoog-op-gaande huizen, die ook wel lijken zwart-en-wit geblokt boven deuren en rondom ramen en onder langs goten, want hoeveel donkerder lijkt op een fotografie de donkere en hoeveel lichter de lichte steen! Ver weg zie je een eerepoort, waaruit kleinere vlaggetjes steken en alle menschen gaan daar heen of
216