ook niet.... Het is er al.... ze heeft het draadje beet.... ze haalt hetscheepjenaarzichtoe.״Zalikhetzingen?" Ze lachen en wachten. Haar stem trilt, maar dat kan haar nu niet schelen.
Wel, wat een menschen daar op straat En groen aan alle deuren Wij allen in een feestgewaad En Vaderlandsche kleuren, Wij lezen en wij schrijven niet Wij zingen thans het hoogste lied Waarom zou dat gebeuren ?
Maar Jan, weet gij dat nu nog niet Hebt gij dan niets ervaren Waarom dat alles hier geschiedt Wil ik u thans verklaren Dat in de kleine stad Edam Het eed'le Nut tot aanzijn kwam Was gisteren honderd jaren!
Ze is net zoo goed zelf als de anderen verbaasd, dat ze het zoo heelemaal vlot heeft kunnen zingen. Want weet u nog wel Vader, en schipper en juffrouw.... en jij weet het natuurlijk.... dat ik het eigenlijk niet eens mocht kennen? Neen, ik mocht het niet kennen, ik mocht het niet zingen, want ik hoorde immers bij de kleintjes. En die zongen.... die zongen.... neen, stil nu, ik weet het al.... ik heb het al....
Wij kleintjes zingen ook een lied Al zijn we dan zoo knap nog niet Dat wij dit feest begrijpen....
Maar dat wou ik niet zingen, want ik begreep het best. ״Dat in de kleine stad Edam, het eed'le Nut tot aanzijn kwam, was gisteren honderd jaar." Dat was het.... en dat begreep ik toch net zoo goed!
215