met een ״boek" vlak aan haar oor, zooals meester Kwast.... maar ze voelde ineens zijn hand, een groote hand, waar warm en diep haar hoofd in verzonk, overal rondom en onder haar kin.... in het allereerste oogenblik heeft ze gerild, want het was een schrik en het was een hinder, een stoornis, een verbreking van wat zijn eigen beloop hebben moet, maar toen vloeide het ineens zoo vol en zoet door haar heen, want ze vergat alles, hij keerde haar hoofd naar zich toe — het ging moeilijk, je hoofd zit vast wanneer je staart — en keek haar lachend aan en liet haar toen weer los.... „Was je op reis?" Dat vroeg hij en ze moest er zelf om lachen, zoo grappig als het klonk. En vriendelijk.... als je dat eens met de anderen vergelijkt....
Een handgeklap, dat roept, dat dwingt, dat duidelijk haar bedoelt, ze is wakker, kijkt rondom zich, staat alleen, de school ging aan, en ze heeft het niet bemerkt, en iedereen is al binnen! Uit de open deur, van hoogen stoep waarachter het schemerig binnen, gaapt een donkere blik uit norsche trekken naar haar toe. „ Stond jij daar weer te suffen ? Ben jij weer eens te laat?'' Ze was op tijd, ze hoorde alleen door het regenen geen bel —, je zegt maar niets, het leek toch altijd: tegenspreken!
Verveling.... o, verveling...., gele kleverige verveling.... schemering.... rekenen.... regen.... echo's.... maar de meester kon er niets aan doen. De Wet hangt aan den muur, het eerste, waarop bovenmeester en schoolopziener letten. Wat stond ze daar lekker, voelde geen regen, keek naar de bobbels, die dreven, die braken, waar dacht ze aan, waar dacht ze toch weer aan, toen bovenmeester klapte en ze
196