van vervuld en echo's kaatsen zacht van overal. Wordt het nu weer droog, zegt Vader, dan zal het misschien hard en lang beginnen te vriezen.... want de winter staat voor de deur, de winter is een woestijn, je staat aan den rand van een woestijn, een echte woestijn, daar hoef je niet in, je keert, als je wilt, aan den rand weer terug, maar de woestijn van kale, koude, donkere dagen, daar moet je wel in, en daar moet je wel door, niet jij alleen, elk mensch, eindeloos ligt hij voor je erin en erdoor! Je kunt ook zoo hard als je wilt niet loopen — in de echte woestijn laat je desnoods je kameel maar aldoor draven — je loopt heelemaal niet, hij loopt door jou! Kijk nu, kijk, hoe die grijs-groene, smalle diepliggende sloot vlak voor de school, van de blinkende blazen, van de heldere regen-bubbels tintelt en leeft.... ze moet ineens even blijven staan, over het bruggetje hangen, het hoofd op de vuisten geleund. En nu komt er dadelijk een warme rust en een weeke tevredenheid, schoon haar hoed druipt en haar haren stralen, maar je kunt niet ongelukkig zijn, als je over een bruggetje hangt, als je jezelf van de wereld zoo ineens en heelemaal hebt afgesneden.... de tintelende blaren drijven door elkaar, drijven langs elkaar, stoo-ten tegen elkaar en breken en gaan voor altijd verloren, ze breken ook wel eens vanzelf, maar dan gebeurde er toch zeker iets, dat je niet ziet, dat je niet ziet, niet ziet....
O hè, ze was weer bijna weg.... en het leek op staren, want haar oogen stonden strak. En als dan ineens de meester, zooals verleden week.... Hij schudde niet aan haar bank, zooals meester Vroom, hij draaide geen kringen door de lucht en mikte dan zijn vinger als een vlieg op haar neus, hij liet haar niet schrikken
195