zelf nooit vooraf wat een stadhuiswoord is, of je zou het niet gebruiken, je zou toch zeker wel wijzer zijn, dan je uit te laten lachen. Maar na dien keer heeft niemand er ooit meer iets van gezegd en de meester houdt van haar, niet dat hij haar voortrekt, o neen, daar is hij te eerlijk voor, hij houdt van haar, ze voelt het. Maar nu zullen ze thuis ook eens een gedragboekje zien, den volgenden keer, en als ze zelf maar tot zoolang haar mond kan houden, dan zal je ze eens even zien opkijken om haar cijfer voor schrijven en voor gedrag.
Dat ging ineens, dat kon ze plotseling: mooi schrijven, gelijk en langzaam schrijven, ze vindt het nu zelfs heerlijk, ze vindt nu alles heerlijk, waar de meester tevreden over is, en wat ze voor den meester mag doen. Hoe kwam ze zonder den nieuwen meester in deze dagen de schooltijden door! Lichtlooze regendagen ruischen een na een voorbij, hun geluid is het eerste als je wakker wordt, een neuzig, eentonig snikken, en je zoudt maar liever niet op willen staan en je zoudt maar liever den dag door en den nieuwen nacht in willen slapen en morgen zou het dan weer zoo zijn; de lage, grijze hemel laat zoo gestadig, zoo gestadig en zoo onverschilligjes-weg, zou je zeggen, den regen op je neervallen, de slooten zwellen maar, zwellen maar, dat ze bijna zoo hoog als de wallekanten zijn.... de heele wereld is vervuld van regengeluid, is klein, is bijna dood, leeft nog enkel in den regen, leeft in geluid en wordt nimmer stil, ook niet 's nachts en door de dikten van je slaap komt het tot je door, dat weet je 's morgens, en dan hoor je het wakker weer overal in huis en je vindt het terug in school, waar je het den vorigen middag achterliet; de lange, donkere gangen zijn er
194