was echt voor moeder, trouwens, ze hadden bij het plukken immers altijd door aan moeder gedacht en over hoe blij ze wel zou zijn, voortdurend gesproken. Dat was het dus en ze zei het ook gerust: ״Mijn broertje en ik.... in de zomervacantie.... een mooie, groote veldbouquet!"
Beginnen met iemand uitlachen doet ze nooit, Aaf Stam, want dat durft ze niet eens, maar als een ander het eerst doet, dan moet je haar met haar valsche, hooge stem hooren gillen. Toen ook.... en wat was er eigenlijk? De meester vroeg toch naar wat je had gedaan om je moeder te plezieren en zoo was het toch. De meester zelf begreep het ook niet zoo gauw, maar toen natuurlijk wel.... omdat de een door de ander schreeuwde ״veldbeket, veldbeket...." En ineens, je schrok er van, werd hij rood en boos en het meest op Aaf Stam, die toch niet eens ״veldbeket" riep, alleen maar zoo zat te gillen van de lach. Waarom lach je....? Waarom lach jullie.... wat valt er te lachen ? Ze schrokken allemaal van zijn stem en pardoes was het stil. Maar het bleef er niet bij en Aaf Stam moest zeggen waarom ze gelachen hadden,... ze deed het niet.... eerst gaf ze geen geluid en toen ineens begon ze te grienen van het huilen.... o, het snerpte je ooren in. Toen Bertus en die wou ook eerst niet.... maar de meester dreigde, zoodat hij wel moest. ״Omdat ze zei ״veldbeket". ״En wat valt er dan aan een veldbouquet te lachen?" ״Stadhuiswoord...." ״O ja, jullie kennen zeker enkel blomme plukke", en de meester zei het zoo echt boos en zoo echt zonder ״u". Van toen af is dat geplaag met ״stadhuiswoorden" uit geweest, over-zoetjes gezegd: de bovenmeester gaf er zelf het voorbeeld van, en het is allesbehalve prettig, want je weet natuurlijk
Avontuurtjes 13 A