veren figuren, als het maar bleef, maar het is weer dadelijk weg, je tracht je die figuren voor te stellen.... dan komt het.... Of je staat naast iemand, die je lief vindt, die jou ook lief vindt, bijvoorbeeld samen over een boek of voor een winkelraam en zacht te praten en elkaar te wijzen.... dan komt het ook.... maar toch, dat is het echte ״staren" niet, en niet wat ze bedoelen, want je raakt niet weg, je raakt je zelf niet kwijt, juist niet, je voelt je zoet, een kieteling van uit je teenen tot je keel.... een zweving om je hoofd en je oogen lijken toe te vallen. Bij het echte staren ben je bijna weg, en toch staan je oogen dan juist wijd-open, net omgekeerd van wat je denken zou! En het gaat zoo: er klinkt iets op en verder is het stil, er klinkt iets uit de smederij, er klinkt iets klaar en vol — je zit in school, de smederij is verder tegenover — je licht je hoofd op om te luisteren, je kijkt uit het raam en merkt een tak, die zwiert langs witte lucht, boven de daken uit, je voelt de ruimten, waar die tak in zwiert, als zwollen ze in je zelf, je luistert, kijkt en voelt.... ineens niets meer.... want je bent weg, maar toch niet zóó of je voelt dat je nek zit vastgeschroefd en dat je je hoofd niet zou kunnen bewegen en je voelt ook je oogen strak openstaan, en toch is het of je slaapt, zoo'n diepe rust word je gewaar door je heele lijf, je slaapt en weet het zelf! Het duurt nooit lang, maar het moet zijn eigen beloop hebben, als een gaap. Maak je wel iets zoo woedend als een moedwillig door anderen verstoorde gaap? Tijden blijft het je bij, loop je ermee rond, als met iets dat je wou zeggen en dat je ontschoot of waar een ander tusschen kwam of waar je zelf overheen hebt gesproken, zoodat je het niet meer terugvinden kunt, een benauwde, wriemelige pranging
190