Het uur duurt lang.... stil, schemerachtig staat het huis, daar buiten alles stil en schemerachtig is, niet droevig nu, niet doodsch en doelloos, als vanmorgen, maar met bezigheid van gedachten en verwachting naar het eind. Hoe laat is het en hoe lang nog, Vader....? Ze wil nu niet meer kijken, en onverwacht zal het dan komen. ״Het vleesch moet in het zout". Wie had het verleden week gedacht, dat zij dat zou mogen, zij dat zou doen?
Ze beurt het tastend uit het troebele, roode, naar omhoog, je ziet geen bodem, je ziet geen vleesch, het kon een zee zijn honderd meter diep, waarin de hand verzinkt, waaruit hij opkomt, en weer afdaalt, zelf onzichtbaar wordt.... den steelnap vat ze beet en schept uit fonkel-klaren emmer en wendt en keert de eene hand en sproeit en giet met de andere, vergeet geen hoekje, hoort haar eigen adem, en diamanten druipen langs haar vingers, langs het verbleekte vleesch, gaan in de troebele, roode zee verloren met klein getinkel en geruisch en moeder staat erbij, maar vindt niets aan te merken.... En nu ligt alles bleek en vochtig uit en krijgt zijn eerlijk deel aan zout.... ״Het vleesch staat in het zout, Vader." Er was een orgel, er kwam een bedelman, en moeder zette thee.... dit half uur ijlde langs haar weg en zonder dat ze het voelde, maar Vaders pen staat plotseling stil en Vaders stem klinkt op: ״Het vleesch is koosjer." Een kleine schok, een rilling, licht en even maar.... waarom? Om iets dat voorbij is, en iets dat begint, om een klank in Vaders stem, omdat Vader nu het horloge weer van de tafel neemt en in zijn vestzak bergt.... om alles, om niets. Haar deel aan het werk is nu volbracht, ze droogt de handen, ziet hoe moeder doet. De pan staat al te vuur en
187