de dikte van een hekel binnen in zich aan die vrouwen.... niet altijd, op marktdag maar alleen... omdat ze dan zoo bazig en zoo redderig zijn, zoo stuursch en zuur....
De oude MousjeFles zit op een boekenkist, hij leest, zijn baard is dik en wit, wat zou hij mager wezen zonder baard. Hij zit van de anderen af, met zijn oogen naar het plantsoen en met zijn rug naar de boeren, die staan ook met hun ruggen toe naar hem, een haag, een dubbele, drie dubbele haag van boeren, op zwaar gewortelte van dikke zwarte beenen, waarachter biggen wriemelen, schapenruggen deinen, waaruit geluid omhoog gaat van verwoede kippen, van verschrikte eenden en gelach, geklap, geroep.... de voeten schuiflen en de beenen warrelen en deheele haag beweegt.... en manden knoersen, kratten knarsen over steenen dat het koud gaat langs je rug. Zij sluiten als een donkere muur het marktzicht van de oogen af, al wat je daar te wezen weet, tot aan de dwarsstraat toe, het lintjes-wapperen, als versiering voor een feest, het blinken, stralen van de hoeden-bloemen, de tintel-kleuren van de echte.... maar het geluid komt door.... één slaat met pannen-deksels dat het dreunt.... dat moest je zelf eens mogen doen!
Alleen, apart zit oude Mousje Fles, hij hoort er eigenlijk niet en had hij geen zorgen, hij zat er ook nooit, maar bleef in het warme nauwe straatje ginds, waar geleerde heeren zijn kleinen donkeren winkel binnen-dalen, twee trapjes af, en oude boeken koopen, die, vreemd genoeg, soms duurder dan nieuwe boeken zijn.... zelf is hij bijna een heer en zelf is hij bijna een geleerde, maar zijn vrouw is ziek en zijn dochter is gebrekkig en zijn zoon is dood, en zijn kleinzoon
179