״Je kijkt.....je ziet het niet.... je weet niet wat het is?"
En Roos en Schoon aan weerszij aan het raam en beiden lachend, beiden dik. De achterkamer frisch aan kant, met reuk van koffie en van meubelwas.... maar iets is afgestroopt.... maar iets is weg? Ja zeker, iets is in de wasch..., dus daarom staat het raam zoo naakt en staart het licht naar binnen, het water over, klaar en kaal. Ze hoort, veraf en buiten, karren rijden, hoeven klakken.... het is druk, het is Donderdag.... de school is droom.... ze hoort, dichtbij en binnen, Vader praten.... ze hoort het kleverig vleesch, dat neersmakt tegen het blok, dat smakt en plakt, 't is zwaar, 't is malsch, 't is Sjabbosvleesch, en Heilbron lacht, met wijde keel, entante Na komt zoetjes sloffend in.
„Jij niet naar school, jij zoo met Vader mee?" Ze hoort het dreunt je van de stem nog in haar ooren na, terwijl ze kijkt.... het lijkt wel of de heele koek aan plakken moet.... Ze vallen, stapelen, loopen hoog.... Voor Roos en Schoon, voor les en Barend, voor Heilbron en zichzelf, voorVader en voor haar... Ze staat aan het raam en kijkt het water over. Hier zaten ze.... en het was feest.... het was Rousj-Has-jono.... het was September.... het licht fluweelig, ho-nig-zoet.... het water jong en blauw.... nu oud en traag, nu grauwig-zilver onder neveldamp.... en schepen varen langzaam, zwaar.... het laatste boomblad, aan den overkant, is weg en stil staan er de huizen, spits, vierkant, aan het witte licht en weten niet meer wat....
Maar koffie drinken met de groote menschen, op een weekschen morgen...! De winkel uit, de gang door, komt de kamer dreunend volgestapt.... de mannen en de zonen, hun praten kaatst in het kale licht....
176