semvaart, aan het eind, en niet begonnen, morgen vroeg.... Een dood-geboren dag.... Zij bleef het laatst, zij heeft de week, de koude lucht woei in en stroom-deuitdehooge ramen af.... en door de leege, breede gangen ging ze op de teenen heen met kloppend hart, tusschen de klompenrijen aan weerszijden, als donkere zoomen langs het patroon van blauw en wit.... de dichte deuren een na een voorbij, waarachter een jongen las, een meester praatte.... en aan de knoppen, alweer meer dan gisteren, en het dubbele van verleden week, de winterkleeren.... grauwe vanen over het blauw tot op den klompenrand.... er komen er van ver, de ochtenden zijn koud. October raakt zijn eind.... een dag of drie.... dan staat November aan de poort van het jaar.... de late herfst voelt om je heen.... als aan je lippen voelt een koude, vochte vrucht, een groote pruim met weinig zoetheid, nagenoeg geen reuk. Als je in de zon staat, op het bruggetje bij huis.... je kijkt in het water.... boomen zijn daar niet.... je kunt gelooven dat je in den zomer leeft.... fluweelen strooken mollig licht, in zilveren randen, frisch gespring van spitse spikkels tusschen bronzen boorden, die vloeien zoet en zonnig uit.... en in de modderige luwte van de schoeiïng, uit schemer op, een gouden vonk, een zonnetje, een zomerkers.... goudgele zonnetjes de blaren ook.... maar keer je om en ga één stap, je stapt den winter in.... En 's morgens vroeg is alles ruig van nat.
De zon schijnt door de klaarten van den dag, zooals bij stil en vriezend weer door pegels aan de goot, die blikkren vuur, maar blijven ijs. Kijk je uit September er naar toe.... wat klinkt October hard en hol en kaal en koud.... kijk je uit
173